Zoeken
 
From 1 - 10 / 162
  • Zeer kwetsbare gebieden Wet ammoniak en veehouderij, vigerend beleid. Ook de vervallen gebieden zijn in dit bestand opgenomen. Aantal gebieden zijn t.o.v. 2008 aangepast n.a.v. besluit aanwijzing zeer kwetsbare gebieden Wet ammoniak en veehouderij, correctieve herziening; vastgesteld door PS op 1 juli 2011. Bij PS-besluit van 20 september 2013 is de zuidoostelijke begrenzing van het gebied 348 gewijzigd. De wijziging was noodzakelijk als gevolg van de uitspraak van Raad van State dd. 27 maart 2013.

  • In de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen verzameld de provincie alle gegevens over de landschappen -beschrijving, geschiedenis, bodem, ontwikkelmogelijkheden etc. -, met als doel de belangrijkste kwaliteiten te beschermen en versterken. De kwaliteitsgids wordt als richtsnoer en inspiratiebron gebruikt door professionals die werkzaam zijn in het landschap om plannen en projecten verder te helpen.

  • Het betreft hier een vlakkenbestand. In het laaggelegen Nederland is wateroverlast van alle tijden. Om deze wateroverlast te beperken begon de bevolking zich in de Middeleeuwen te beschermen tegen overstromingen door het aanleggen van dijken langs de Zuiderzee en - vermoedelijk ook al - langs de grote rivier, zoals de IJssel. Aan het begin waren dit nog lokale, losliggende dijken, maar al gauw werden deze met elkaar verbonden tot een aaneengesloten dijkenstelsel. Dat de opgehoogde Zuiderzee en rivierdijken niet altijd bestand waren tegen het hoge water laten de vele doorbraakkolken zien. Zij zijn de stille getuigen van een dijkdoorbraak. Doorbraakkolken zijn diepe ronde meertjes waarin het zand is weggespoeld, doordat tijdens een dijkdoorbraak het water met grote kracht door de dijk heen brak. Leidijken werden vanaf de late middeleeuwen aangelegd om het zure veenwater buiten de ontgonnen gebieden te weren. Vanaf het einde van de 18e eeuw begon men kanalen aan te leggen, waarvoor kanaaldijken nodig waren. De IJsselmeerdijken zijn allen aangelegd na de aanleg van de Afsluitdijk in 1933. Deze dijken hoefden dus in tegenstelling tot de Zuiderzeedijken geen eb en vloed te verdragen. Dijken hebben de inwoners van Overijssel geholpen bij het inwinnen van land op de Zuiderzee en het bruikbaar maken of houden van agrarische gebieden, waardoor de cultuurhistorische waarde van deze objecten groot is. Daarnaast kan onderzoek naar de opbouw van een dijk veel informatie verstrekken over de ontwikkeling van een gebied. Zowel waterstaatkundig als over de bewoners. Het laatste omdat in vroeger tijden boeren hun eigen stukje dijk aan hun land moesten onderhouden.

  • De WAV (Wet ammoniak en veehouderij) heeft kwetsbare en zeer kwetsbare gebieden gedefinieerd. Provinciale Staten heeft op basis van de wet zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Het gaat om gebieden die gevoelig zijn voor verzuring en/of vermesting die deel uitmaken van de provinciale EHS. In een zone van 250 meter rondom de zeer kwetsbare gebieden gelden beperkingen voor de (intensieve) veehouderijen. Vastgesteld door PS op 1 juli 2009; Vervolgens zijn er wijzigingen geweest die door PS zijn vastgesteld op 16 december 2009 en 16 februari 2011.

  • Meldingen Openbare Ruimte per hectare hexagon. Klik op een hexagon voor meer informatie.

  • Het betreft hier een puntenbestand. In het laaggelegen Nederland is wateroverlast van alle tijden. Om deze wateroverlast te beperken begon de bevolking zich in de Middeleeuwen te beschermen tegen overstromingen door het aanleggen van dijken langs de Zuiderzee en - vermoedelijk ook al - langs de grote rivier, zoals de IJssel. Aan het begin waren dit nog lokale, losliggende dijken, maar al gauw werden deze met elkaar verbonden tot een aaneengesloten dijkenstelsel. Dat de opgehoogde Zuiderzee en rivierdijken niet altijd bestand waren tegen het hoge water laten de vele doorbraakkolken zien. Zij zijn de stille getuigen van een dijkdoorbraak. Doorbraakkolken zijn diepe ronde meertjes waarin het zand is weggespoeld, doordat tijdens een dijkdoorbraak het water met grote kracht door de dijk heen brak. Leidijken werden vanaf de late middeleeuwen aangelegd om het zure veenwater buiten de ontgonnen gebieden te weren. Vanaf het einde van de 18e eeuw begon men kanalen aan te leggen, waarvoor kanaaldijken nodig waren. De IJsselmeerdijken zijn allen aangelegd na de aanleg van de Afsluitdijk in 1933. Deze dijken hoefden dus in tegenstelling tot de Zuiderzeedijken geen eb en vloed te verdragen. Dijken hebben de inwoners van Overijssel geholpen bij het inwinnen van land op de Zuiderzee en het bruikbaar maken of houden van agrarische gebieden, waardoor de cultuurhistorische waarde van deze objecten groot is. Daarnaast kan onderzoek naar de opbouw van een dijk veel informatie verstrekken over de ontwikkeling van een gebied. Zowel waterstaatkundig als over de bewoners. Het laatste omdat in vroeger tijden boeren hun eigen stukje dijk aan hun land moesten onderhouden.

  • De opgaande groene en karakteristieke landschapselementen (en aardkundige waarden en poelen) in het landschap, in acht verschillende hoofdcategorieën.Voor de gemeente Vijfheerenlanden, die sinds 1 januari 2019 deel uitmaakt van de provincie Utrecht, is nog geen data beschikbaar

  • Deze dataset bevat de primaire ontgrondingen in de provincie Groningen, waarbij industrie- en/of ophoogzand wordt gewonnen.

  • Windmolens zijn molens die de bewegingsenergie van de lucht (wind) omzetten in rotatie-energie van de wieken, die vervolgens gebruikt kan worden voor bijvoorbeeld het opwekken van elektriciteit, het malen van graan of verplaatsen van water. Traditionele windmolens staan verspreid over de hele provincie en zijn monumenten die de identiteit van het Groninger landschap bepalen. Om hun cultuurhistorische plek te behouden worden voor hun werking specifieke eisen gesteld aan hun omgeving. Sluipende ontwikkelingen als nieuwbouw en hoge beplanting kunnen de windvang beperken. Meer info: https://www.molendatabase.nl/nederland/

  • Voedings en Genotmiddelenindustrie (VGI) reststromen aan de hand van SBI 93 codes zijn, 151 slachterijen en vleesverwerkende industrie. 152 visverwerkende industrie. 153 en 154 groente- en fruitverwerking, plantaardige en dierlijke olien- en vettenindustrie. 155 zuivelproductenindustrie. 1562 en 1583 zetmeel- en suikerindustrie. 1561, 157 en 158 meel-, diervoeder en overige voedingsmiddelenindustrie (exclusief zetmeel- en suikerindustrie). 159 drankenindustrie en 16: tabaksverwerkende industrie.