From 1 - 10 / 125
  • Archeologische monumenten. Vanaf de vroegste prehistorie tot de tegenwoordige tijd hebben de bewoners hun sporen in de bodem van Overijssel achtergelaten. Dit bodemarchief is een belangrijke en voor de prehistorie de enige informatiebron. Op grond van restanten van vroeger, zoals aardewerkscherven, (vuur-)stenen bijlen of verkleuringen in de bodem van bijvoorbeeld palen van boerderijen, is het mogelijk iets te vertellen over de mensen en hun levenswijze in het verleden. Dit bodemarchief is erg kwetsbaar: de overblijfselen bevinden zich meestal dicht onder het oppervlak. Bovendien is het bodemarchief maar eenmalig raadpleegbaar: wanneer iets is opgegraven, is het voorgoed verdwenen. Deze kaart toont de Archeologische Monumenten (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) Wet Archeologische Monumentenzorg. Op 1 september 2007 is de Wet archeologische monumentenzorg in werking getreden. Dit impliceert een ingrijpende wijziging van de Monumentenwet 1988. Voor archeologische waarden geldt per 1 september 2007 op basis van de gewijzigde Monumentenwet 1988 de wettelijke verplichting om bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten monumenten (artikel 38a).

  • Geeft de ruimtelijke spreiding weer van een bepaalde leeftijdscategorie. In dit geval gaat het om de leeftijd 55 jaar en ouder, uitgedrukt in het aantal inwoners per hectare.

  • Geeft de ruimtelijke spreiding weer van een bepaalde leeftijdscategorie. In dit geval gaat het om de leeftijd 65 jaar en ouder, uitgedrukt in het aantal inwoners per hectare.

  • Voor deze gebieden zijn hectaren gereserveerd om de EHS te realiseren. De stergebieden staan vermeld in het Natuurbeheerplan Drenthe.

  • Het betreft hier een vlakkenbestand. Na de ijstijden werd het in Nederland warmer en natter, waardoor op sommige plekken dode planten niet afgebroken werden maar zich opstapelden. Na eeuwen van opstapeling ontstond op die manier een dikke veenlaag. Vanaf de late middeleeuwen begon men dit veen te systematisch in gebruik te nemen. Om het veen te kunnen ontginnen werden slootjes voor afwatering gegraven. Meestal gebeurde dit vanaf een riviertje recht het veen in, zodat parallelle stroken ontstonden. Tussen de parallelle slootjes kon dan landbouw worden bedreven. Door de ontwatering zakte het maaiveld, waardoor aan de Zuiderzeekust het gebied kon overstromen. Hier is dan ook een kleilaagje over de agrarische veenontginning afgezet, de zogenaamde klei-op-veengebieden. Deze natte gebieden hadden een natuurlijke aantrekkingskracht op watervogels. Er werden eendenkooien aangelegd om watervogels gemakkelijker te vangen. Veel eendenkooien zijn reeds verdwenen maar er liggen nog enkele zichtbaar in het landschap, vooral in de Kop van Overijssel. Na de late middeleeuwen begon men op grotere schaal veen te winnen om als brandstof te gebruiken. Deze verveningen waren in eerste instantie niet grootschalig gecoordineerd. Vanaf de 19e eeuw werd het winnen van turf planmatig en grootschalig aangepakt, waarbij op vaste afstand van elkaar wijken werden gegraven om de turf te kunnen afvoeren. Voor deze veenkolonien werden kanalen gegraven zoals de Dedemsvaart. Soms kwam het maaiveld door vervening of agrarisch grondgebruik zo laag te liggen dat met behulp van dijken, molens en/of sluisjes het land kunstmatig droog gehouden moest worden en er polders ontstonden.

  • Agrarische cultuurhistorische relicten in het rivierenlandschap: essen, bouwlandkampen (dekzandlandschap), akkercomplexen (oeverwal), groenlanden, heidevelden, stuifzanden en heide ontginningsbossen. Essen zijn open akkerlandcomplexen die vanaf de Romeinse tijd in gebruik zijn. Op de oeverwallen langs de IJssel werden bouwlanden aangelegd (enken). Het grondgebruik van de enken is in verloop van tijd veranderd en tegenwoordig zijn ze vaak als weiland in gebruik. Na de Middeleeuwen werd ook individueel bouwland ontgonnen (bouwlandkamp). De essen, bouwlandkampen en akkercomplexen hoorden bij een agrarisch systeem, in combinatie met groenlanden, heidevelden en stuifzanden. Op de groenlanden en de heidevelden werd het vee geweid. Door de ruilverkavelingen is er weinig overgebleven van de groenlanden. Bij het eeuwenlange gebruik van de zandgronden ontstonden uitgestrekte heidevelden en stuifzandgebieden. Vele van deze heidevelden en stuifzanden werden later bebost. Deze heideontginningsbossen kenmerken zich door percelen naaldhout. Het doel was het verbeteren van de marginale gronden en om deze geschikt te maken voor de landbouw. De laatste decennia is door ruilverkavelingen veel van het karakteristieke esdorpenlandschap verdwenen. Ook zijn veel essen omgevormd tot weiland. Soms zijn ze volgebouwd met huizen. De essen die nog in het landschap liggen zijn van groot cultuurhistorisch en archeologisch belang. Ook de akkercomplexen op de oeverwallen zijn van grote cultuurhistorische waarde. De mate van openheid en de hoge archeologische verwachting dragen hier aan bij. De waarde van een heideontginningsbos wordt bepaald door de aanplant, de verkaveling en ook brandtorens en andere ontginningssporen.

  • Bij de herijking van de EHS-kaart van de POV 2013 is op de ontwerpkaart aangegeven de gronden waarvan voorgesteld wordt deze gronden te schrappen als EHS.

  • De vroegste objecten(lijnenbestand) zijn de walburgen. Deze hebben hun oorsprong in de Romeinse tijd of vroege middeleeuwen. Tegenwoordig zijn deze walburgen nog vaak als kern van een dorp of stad zichtbaar. Een voorbeeld daarvan is Enschede. In de middeleeuwen werd aan strategisch geplaatste dorpen stadsrechten gegeven waardoor deze vestingwerken mochten aanleggen (bijvoorbeeld Deventer, Zwolle en Genemuiden). De verdedigingswerken waarvan we tegenwoordig nog sporen kunnen zien (aarden wallen en grachten) stammen vaak uit de vroegmoderne tijd. Na de middeleeuwen werden ook in het veld linies aangelegd om vijanden (uit het oosten of zuiden) een halt toe te kunnen roepen. De Loozensche linie en de Mekkelhorsterlinie vallen hieronder. Linies konden bestaan uit ondoordringbare landweren, bestaande uit wallen met doornstruiken, en uit schansen. In de vroegmoderne tijd waren veengebieden een belangrijk onderdeel van de linies. Veengebieden waren namelijk grote obstakels voor legers. Deze veengebieden werden ook gebruikt door boeren die deze gebieden actief ontwaterden. Om de leegloop van veengebieden tegen te gaan werden tussen Coevorden en het Zwarte water twee leidijken aangelegd in 1688. Ook van de IJssel werd gebruikt gemaakt als natuurlijk obstakel. Van de vroegere IJssellinie, bedacht door Menno van Coehoorn rond 1700, is te weinig informatie beschikbaar om een goed beeld te kunnen geven. Van de latere IJssellinie is dat wel mogelijk. In het begin van de jaren 50 van de twintigste eeuw werd in de IJssel bij Olst een beweegbare stuw aangelegd. Mede hiermee kon een groot gebied geinundeerd worden om zo tanks tegen te houden. Bij deze IJssellinie werden ook vele bunkers met verdedigingsgeschut aangelegd.

  • Wijkindeling van meldingen sector uitvoering voor de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor het geautomatiseerd afleveren van meldingen bij de juiste behandelgroep.

  • Deze data is gestandaardiseerd voor de provinciale aanlevering INSPIRE. De rijksoverheid heeft in de Nota Ruimte 20 Nationale Landschappen aangewezen. Twee daarvan liggen in Fryslân: Zuidwest-Fryslân en Noordelijke Wouden. Nationale Landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Het doel is om de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van de Landschappen te behouden, duurzaam te beheren en waar mogelijk te versterken. In samenhang daarmee dient ook de toeristische betekenis toe te nemen.