From 1 - 10 / 147
  • Geeft de ruimtelijke spreiding weer van een bepaalde leeftijdscategorie. In dit geval gaat het om de leeftijd 19 jaar en jonger, uitgedrukt in het aantal inwoners per hectare.

  • Het betreft hier een vlakkenbestand. In het laaggelegen Nederland is wateroverlast van alle tijden. Om deze wateroverlast te beperken begon de bevolking zich in de Middeleeuwen te beschermen tegen overstromingen door het aanleggen van dijken langs de Zuiderzee en - vermoedelijk ook al - langs de grote rivier, zoals de IJssel. Aan het begin waren dit nog lokale, losliggende dijken, maar al gauw werden deze met elkaar verbonden tot een aaneengesloten dijkenstelsel. Dat de opgehoogde Zuiderzee en rivierdijken niet altijd bestand waren tegen het hoge water laten de vele doorbraakkolken zien. Zij zijn de stille getuigen van een dijkdoorbraak. Doorbraakkolken zijn diepe ronde meertjes waarin het zand is weggespoeld, doordat tijdens een dijkdoorbraak het water met grote kracht door de dijk heen brak. Leidijken werden vanaf de late middeleeuwen aangelegd om het zure veenwater buiten de ontgonnen gebieden te weren. Vanaf het einde van de 18e eeuw begon men kanalen aan te leggen, waarvoor kanaaldijken nodig waren. De IJsselmeerdijken zijn allen aangelegd na de aanleg van de Afsluitdijk in 1933. Deze dijken hoefden dus in tegenstelling tot de Zuiderzeedijken geen eb en vloed te verdragen. Dijken hebben de inwoners van Overijssel geholpen bij het inwinnen van land op de Zuiderzee en het bruikbaar maken of houden van agrarische gebieden, waardoor de cultuurhistorische waarde van deze objecten groot is. Daarnaast kan onderzoek naar de opbouw van een dijk veel informatie verstrekken over de ontwikkeling van een gebied. Zowel waterstaatkundig als over de bewoners. Het laatste omdat in vroeger tijden boeren hun eigen stukje dijk aan hun land moesten onderhouden.

  • De dataset bevat de Lnight geluidcontouren van de provinciale wegen van de Provincie Utrecht uit de 2e tranche EU-richtlijn omgevingslawaai (peiljaar 2011). Het betreft de wegen met jaarlijkse intensiteit => 3. De geluidsbelastingkaarten zijn geldig voor peiljaar 2011 en geven alleen de berekeningen i.k.v. de EU-richtlijn omgevingslawaai voor de provinciale wegen van Utrecht weer.

  • De dataset bevat de Lden geluidcontouren van de provinciale wegen van de Provincie Utrecht uit de 2e tranche EU-richtlijn omgevingslawaai (peiljaar 2011). Het betreft de wegen met jaarlijkse intensiteit >= 3 motorvoertuigen. De geluidsbelastingkaarten zijn geldig voor peiljaar 2011 en geven alleen de berekeningen i.k.v. de EU-richtlijn omgevingslawaai voor de provinciale wegen van Utrecht weer.

  • Het rijk geeft de provincies in het ontwerp van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening de opdracht regels op te nemen voor bundeling van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Deze dienen in eerste instantie plaats te vinden in bestaand stedelijk gebied. Als toch nieuw ruimtebeslag nodig is, kan dit alleen daar waar er gelet op de ruimtelijke kwaliteiten verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden liggen binnen de in de Verordening ruimte aangewezen zoekgebieden voor verstedelijking . Onder voorwaarden is stedelijke ontwikkeling ook mogelijk in gebieden met bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenaamde (zoek)gebieden integratie stad-land. In deze gebieden kan stedelijke ontwikkeling plaatsvinden in samenhang met groene landschapsontwikkelingen. Door middel van nadere regels c.q. een ontheffing van Gedeputeerde Staten kan per gebied integratie stad-land maatwerk geleverd worden voor de vorm waarin zo’n samenhangende gebiedsontwikkeling gestalte kan krijgen. Als uitgangspunt voor het bepalen hebben de zoekgebieden gediend die waren opgenomen in de Uitwerkingsplannen. Deze zijn geactualiseerd naar aanleiding van tussentijdse gerealiseerde ontwikkelingen en nieuwe bestuurlijke afspraken. De objecten in dit bestand zijn vastgesteld op de schaal 1:50.000.

  • Vlakkenbestand met depots in Fryslân, waarbij per depot is aangegeven of dit actief/niet actief is, en operationeel/niet-operationeel.

  • Windmolens zijn molens die de bewegingsenergie van de lucht (wind) omzetten in rotatie-energie van de wieken, die vervolgens gebruikt kan worden voor bijvoorbeeld het opwekken van elektriciteit, het malen van graan of verplaatsen van water. Traditionele windmolens staan verspreid over de hele provincie en zijn monumenten die de identiteit van het Groninger landschap bepalen. Om hun cultuurhistorische plek te behouden worden voor hun werking specifieke eisen gesteld aan hun omgeving. Sluipende ontwikkelingen als nieuwbouw en hoge beplanting kunnen de windvang beperken. Meer info: https://www.molendatabase.nl/nederland/

  • Gebieden die landgoedzones weergeven. Een landgoedzone is een concentratie van landgoederen met typerende kenmerken. Deze kenmerken zijn terreingesteldheid, ligging aan historische infrastructuur, grootte en sociaaleconomische ontwikkeling. Een enkele keer is ook de periode en stijl van aanleg kenmerkend. Deze dataset is opgenomen in de Cultuur Historische Waardenkaart (CWK).

  • Deze data is gestandaardiseerd voor de provinciale aanlevering INSPIRE. Bestand bevat de 47 Bkl-contouren rond de kleinere vliegvelden Drachten en Ameland.

  • Vrijwel alle nederzettingen zijn begonnen in een agrarische omgeving. Andere nederzettingen zijn gevormd bij infrastructurele knooppunten. De nederzetting bestond uit verspreide hoeven. Er zijn nog andere vormen. Een kern-esdorp is genoemd naar bouwland (es) op de zandkop. Wanneer de hoeven de gehele es omsloten werd een krans-esdorp gevormd. Als de es gedeeltelijk werd omsloten dan ontstond een flank-esdorp. Bovenop de ruggen lagen heidevelden. Daar ontstonden heide-ontginningsnederzettingen. Vroeger traden de rivieren periodiek buiten hun oevers. Hierdoor ontstonden zandduinen. Nabij de duinen ontstonden enkdorpen. In de middeleeuwen werden dijken aangelegd. Over de dijk ontstond een doorgaande route. Zo ontstonden dijkdorpen. Ook werden hoeven bij de dijk gebouwd (“enkdorp met dijkbebouwing”). Dijken vormden een barrière tussen de rivier en de achtergelegen komgronden. Er werden weteringen aangelegd om het water af te voeren. Deze vormden transportaderen. Vroeger was het veengebied een uitgestrekt veenmoeras. Nederzettingen werden gevestigd langs waterlopen. Het ontwaterde veen verging geleidelijk, waardoor de bodem daalde. De bodem werd natter. De nederzetting werd verplaatst naar de achterkade. De agrarische veen-nederzettingen kregen de vorm van een wegdorp. Nabij ontstonden overslagplaatsen (sluisdorp of damdorp). Later werden kanalen aangelegd. Op plaatsen waar werd verveend werden nederzettingen gesticht: de veenkoloniën. In Twente zijn nederzettingen gegroeid door textielindustrie. Andere nederzettingen zijn gesticht in de twintigste eeuw (bij kristallisatiekernen, zoals een legerkazerne, sportcomplex of bungalowpark).