Zoeken
 
From 1 - 10 / 155
  • Het betreft hier een vlakkenbestand. In het laaggelegen Nederland is wateroverlast van alle tijden. Om deze wateroverlast te beperken begon de bevolking zich in de Middeleeuwen te beschermen tegen overstromingen door het aanleggen van dijken langs de Zuiderzee en - vermoedelijk ook al - langs de grote rivier, zoals de IJssel. Aan het begin waren dit nog lokale, losliggende dijken, maar al gauw werden deze met elkaar verbonden tot een aaneengesloten dijkenstelsel. Dat de opgehoogde Zuiderzee en rivierdijken niet altijd bestand waren tegen het hoge water laten de vele doorbraakkolken zien. Zij zijn de stille getuigen van een dijkdoorbraak. Doorbraakkolken zijn diepe ronde meertjes waarin het zand is weggespoeld, doordat tijdens een dijkdoorbraak het water met grote kracht door de dijk heen brak. Leidijken werden vanaf de late middeleeuwen aangelegd om het zure veenwater buiten de ontgonnen gebieden te weren. Vanaf het einde van de 18e eeuw begon men kanalen aan te leggen, waarvoor kanaaldijken nodig waren. De IJsselmeerdijken zijn allen aangelegd na de aanleg van de Afsluitdijk in 1933. Deze dijken hoefden dus in tegenstelling tot de Zuiderzeedijken geen eb en vloed te verdragen. Dijken hebben de inwoners van Overijssel geholpen bij het inwinnen van land op de Zuiderzee en het bruikbaar maken of houden van agrarische gebieden, waardoor de cultuurhistorische waarde van deze objecten groot is. Daarnaast kan onderzoek naar de opbouw van een dijk veel informatie verstrekken over de ontwikkeling van een gebied. Zowel waterstaatkundig als over de bewoners. Het laatste omdat in vroeger tijden boeren hun eigen stukje dijk aan hun land moesten onderhouden.

  • Geeft de ruimtelijke spreiding weer van een bepaalde leeftijdscategorie. In dit geval gaat het om de leeftijd 65 jaar en ouder, uitgedrukt in het aantal inwoners per hectare.

  • Agrarische cultuurhistorische relicten in het rivierenlandschap: essen, bouwlandkampen (dekzandlandschap), akkercomplexen (oeverwal), groenlanden, heidevelden, stuifzanden en heide ontginningsbossen. Essen zijn open akkerlandcomplexen die vanaf de Romeinse tijd in gebruik zijn. Op de oeverwallen langs de IJssel werden bouwlanden aangelegd (enken). Het grondgebruik van de enken is in verloop van tijd veranderd en tegenwoordig zijn ze vaak als weiland in gebruik. Na de Middeleeuwen werd ook individueel bouwland ontgonnen (bouwlandkamp). De essen, bouwlandkampen en akkercomplexen hoorden bij een agrarisch systeem, in combinatie met groenlanden, heidevelden en stuifzanden. Op de groenlanden en de heidevelden werd het vee geweid. Door de ruilverkavelingen is er weinig overgebleven van de groenlanden. Bij het eeuwenlange gebruik van de zandgronden ontstonden uitgestrekte heidevelden en stuifzandgebieden. Vele van deze heidevelden en stuifzanden werden later bebost. Deze heideontginningsbossen kenmerken zich door percelen naaldhout. Het doel was het verbeteren van de marginale gronden en om deze geschikt te maken voor de landbouw. De laatste decennia is door ruilverkavelingen veel van het karakteristieke esdorpenlandschap verdwenen. Ook zijn veel essen omgevormd tot weiland. Soms zijn ze volgebouwd met huizen. De essen die nog in het landschap liggen zijn van groot cultuurhistorisch en archeologisch belang. Ook de akkercomplexen op de oeverwallen zijn van grote cultuurhistorische waarde. De mate van openheid en de hoge archeologische verwachting dragen hier aan bij. De waarde van een heideontginningsbos wordt bepaald door de aanplant, de verkaveling en ook brandtorens en andere ontginningssporen.

  • De term aardkundige waarden wordt gebruikt als een verzamelnaam voor geomorfologische, geologische, bodemkundige of geohydrologische verschijnselen in het landschap, die een bepaalde waarde vertegenwoordigen. Het gaat daarbij niet alleen om het behoud en de beleefbaarheid van historische verschijnselen. Er wordt ook betekenis gehecht aan actuele processen, die aardkundige waarden opleveren. Op verschillende plaatsen in Groningen zijn duidelijke hoogteverschillen (een halve meter en meer) in het landschap aanwezig. Het zicht op dit reliëf is vooral karakteristiek voor de Hondsrug, Westerwolde (Holte, Tichelberg, Hasseberg, Alteveer) en de glaciale ruggen bij Blauwestad en Zuidhorn. Dit zicht kan verloren gaan door nieuwe bebouwing en beplanting. Daarnaast vormen afgravingen voor grootschalige projecten een bedreiging voor het reliëf. Om de glaciale ruggen te beschermen zijn regels opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. Ook zijn regels opgenomen voor de bescherming van het zicht op het reliëf van Westerwolde. Deze dataset is gedeeltelijk opgenomen in het Provinciale Omgevingsvisie 2016-2020 en de Omgevingsverordening 2016. Van gemeenten verwachten wij dat zij het overige reliëf van o.a. dekzandruggen, inversieruggen en natuurlijke laagten samenhangend met waterlopen vastleggen in hun bestemmingsplannen. Dit bestand geeft een indicatie van de aardkundige waarde op grond van zeldzaamheid, gaafheid, representativiteit, zichtbaarheid, wetenschappelijke en educatieve waarde, (inter)nationale/ provinciale/regionale betekenis. Bij een nieuw AHN3 moet het bestand worden aangepast.

  • De WAV (Wet ammoniak en veehouderij) heeft kwetsbare en zeer kwetsbare gebieden gedefinieerd. Provinciale Staten heeft op basis van de wet zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Het gaat om gebieden die gevoelig zijn voor verzuring en/of vermesting die deel uitmaken van de provinciale EHS. In een zone van 250 meter rondom de zeer kwetsbare gebieden gelden beperkingen voor de (intensieve) veehouderijen. Vastgesteld door PS op 1 juli 2009; Vervolgens zijn er wijzigingen geweest die door PS zijn vastgesteld op 16 december 2009 en 16 februari 2011.

  • Het betreft hier een vlakkenbestand. Na de ijstijden werd het in Nederland warmer en natter, waardoor op sommige plekken dode planten niet afgebroken werden maar zich opstapelden. Na eeuwen van opstapeling ontstond op die manier een dikke veenlaag. Vanaf de late middeleeuwen begon men dit veen te systematisch in gebruik te nemen. Om het veen te kunnen ontginnen werden slootjes voor afwatering gegraven. Meestal gebeurde dit vanaf een riviertje recht het veen in, zodat parallelle stroken ontstonden. Tussen de parallelle slootjes kon dan landbouw worden bedreven. Door de ontwatering zakte het maaiveld, waardoor aan de Zuiderzeekust het gebied kon overstromen. Hier is dan ook een kleilaagje over de agrarische veenontginning afgezet, de zogenaamde klei-op-veengebieden. Deze natte gebieden hadden een natuurlijke aantrekkingskracht op watervogels. Er werden eendenkooien aangelegd om watervogels gemakkelijker te vangen. Veel eendenkooien zijn reeds verdwenen maar er liggen nog enkele zichtbaar in het landschap, vooral in de Kop van Overijssel. Na de late middeleeuwen begon men op grotere schaal veen te winnen om als brandstof te gebruiken. Deze verveningen waren in eerste instantie niet grootschalig gecoordineerd. Vanaf de 19e eeuw werd het winnen van turf planmatig en grootschalig aangepakt, waarbij op vaste afstand van elkaar wijken werden gegraven om de turf te kunnen afvoeren. Voor deze veenkolonien werden kanalen gegraven zoals de Dedemsvaart. Soms kwam het maaiveld door vervening of agrarisch grondgebruik zo laag te liggen dat met behulp van dijken, molens en/of sluisjes het land kunstmatig droog gehouden moest worden en er polders ontstonden.

  • De dataset bevat de Lden geluidcontouren van de provinciale wegen van de Provincie Utrecht uit de 2e tranche EU-richtlijn omgevingslawaai (peiljaar 2011). Het betreft de wegen met jaarlijkse intensiteit >= 3 motorvoertuigen. De geluidsbelastingkaarten zijn geldig voor peiljaar 2011 en geven alleen de berekeningen i.k.v. de EU-richtlijn omgevingslawaai voor de provinciale wegen van Utrecht weer.

  • Agrarische cultuurhistorische relicten van de zandgronden: essen, bouwlandkampen (dekzandlandschap), akkercomplexen (oeverwal), groenlanden, heidevelden, stuifzanden en heide ontginningsbossen. Essen zijn open akkerlandcomplexen die vanaf de Romeinse tijd in gebruik zijn. Op de oeverwallen langs de IJssel werden bouwlanden aangelegd (enken). Het grondgebruik van de enken is in verloop van tijd veranderd en tegenwoordig zijn ze vaak als weiland in gebruik. Na de Middeleeuwen werd ook individueel bouwland ontgonnen (bouwlandkamp). De essen, bouwlandkampen en akkercomplexen hoorden bij een agrarisch systeem, in combinatie met groenlanden, heidevelden en stuifzanden. Op de groenlanden en de heidevelden werd het vee geweid. Door de ruilverkavelingen is er weinig overgebleven van de groenlanden. Bij het eeuwenlange gebruik van de zandgronden ontstonden uitgestrekte heidevelden en stuifzandgebieden. Vele van deze heidevelden en stuifzanden werden later bebost. Deze heideontginningsbossen kenmerken zich door percelen naaldhout. Het doel was het verbeteren van de marginale gronden en om deze geschikt te maken voor de landbouw. De laatste decennia is door ruilverkavelingen veel van het karakteristieke esdorpenlandschap verdwenen. Ook zijn veel essen omgevormd tot weiland. Soms zijn ze volgebouwd met huizen. De essen die nog in het landschap liggen zijn van groot cultuurhistorisch en archeologisch belang. Ook de akkercomplexen op de oeverwallen zijn van grote cultuurhistorische waarde. De mate van openheid en de hoge archeologische verwachting dragen hier aan bij. De waarde van een heideontginningsbos wordt bepaald door de aanplant, de verkaveling en ook brandtorens en andere ontginningssporen.

  • Geeft de ruimtelijke spreiding weer van een bepaalde leeftijdscategorie. In dit geval gaat het om de leeftijd 12 tot 19 jaar, uitgedrukt in het aantal inwoners per hectare.

  • Het doel van de signaleringskaart is om ruimtelijke ordenings medewerkers een handreiking te bieden om vast te stellen of externe veiligheid aan de orde is in een gebied, waarvoor een ruimtelijk plan of project wordt ontwikkeld. Deze kaart is kader stellend (Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen en Besluit Transport Externe Veiligheid) voor het plaatsgebonden risico en het plasbrand aandachtsgebied (PAG) . Deze PAG is ingesteld langs transportassen waar veel vervoer plaatsvindt van vloeibare brandstoffen. Binnen het PAG mag niet worden gebouwd tenzij maatregelen worden genomen tegen de gevolgen van een plasbrand. De signaleringskaart biedt verder vuistregels om vast te stellen of een ruimtelijke ontwikkeling nabij een transportas leidt tot een te hoog groepsrisico.