Zoeken
 
From 1 - 10 / 163
  • In de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen verzameld de provincie alle gegevens over de landschappen -beschrijving, geschiedenis, bodem, ontwikkelmogelijkheden etc. -, met als doel de belangrijkste kwaliteiten te beschermen en versterken. De kwaliteitsgids wordt als richtsnoer en inspiratiebron gebruikt door professionals die werkzaam zijn in het landschap om plannen en projecten verder te helpen.

  • In de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen verzameld de provincie alle gegevens over de landschappen -beschrijving, geschiedenis, bodem, ontwikkelmogelijkheden etc. -, met als doel de belangrijkste kwaliteiten te beschermen en versterken. De kwaliteitsgids wordt als richtsnoer en inspiratiebron gebruikt door professionals die werkzaam zijn in het landschap om plannen en projecten verder te helpen.

  • Windmolens zijn molens die de bewegingsenergie van de lucht (wind) omzetten in rotatie-energie van de wieken, die vervolgens gebruikt kan worden voor bijvoorbeeld het opwekken van elektriciteit, het malen van graan of verplaatsen van water. Traditionele windmolens staan verspreid over de hele provincie en zijn monumenten die de identiteit van het Groninger landschap bepalen. Om hun cultuurhistorische plek te behouden worden voor hun werking specifieke eisen gesteld aan hun omgeving. Sluipende ontwikkelingen als nieuwbouw en hoge beplanting kunnen de windvang beperken. Meer info: https://www.molendatabase.nl/nederland/

  • Een landgoedzone is een concentratie van landgoederen met typerende kenmerken wat betreft terreingesteldheid, ligging aan historische infrastructuur, grootte, sociaal-economische ontwikkeling en een enkele keer periode en stijl van aanleg. Dit bestand is opgenomen in de Cultuur Historische Waardenkaart (CWK).

  • De vroegste objecten(lijnenbestand) zijn de walburgen. Deze hebben hun oorsprong in de Romeinse tijd of vroege middeleeuwen. Tegenwoordig zijn deze walburgen nog vaak als kern van een dorp of stad zichtbaar. Een voorbeeld daarvan is Enschede. In de middeleeuwen werd aan strategisch geplaatste dorpen stadsrechten gegeven waardoor deze vestingwerken mochten aanleggen (bijvoorbeeld Deventer, Zwolle en Genemuiden). De verdedigingswerken waarvan we tegenwoordig nog sporen kunnen zien (aarden wallen en grachten) stammen vaak uit de vroegmoderne tijd. Na de middeleeuwen werden ook in het veld linies aangelegd om vijanden (uit het oosten of zuiden) een halt toe te kunnen roepen. De Loozensche linie en de Mekkelhorsterlinie vallen hieronder. Linies konden bestaan uit ondoordringbare landweren, bestaande uit wallen met doornstruiken, en uit schansen. In de vroegmoderne tijd waren veengebieden een belangrijk onderdeel van de linies. Veengebieden waren namelijk grote obstakels voor legers. Deze veengebieden werden ook gebruikt door boeren die deze gebieden actief ontwaterden. Om de leegloop van veengebieden tegen te gaan werden tussen Coevorden en het Zwarte water twee leidijken aangelegd in 1688. Ook van de IJssel werd gebruikt gemaakt als natuurlijk obstakel. Van de vroegere IJssellinie, bedacht door Menno van Coehoorn rond 1700, is te weinig informatie beschikbaar om een goed beeld te kunnen geven. Van de latere IJssellinie is dat wel mogelijk. In het begin van de jaren 50 van de twintigste eeuw werd in de IJssel bij Olst een beweegbare stuw aangelegd. Mede hiermee kon een groot gebied geinundeerd worden om zo tanks tegen te houden. Bij deze IJssellinie werden ook vele bunkers met verdedigingsgeschut aangelegd.

  • Deze data is gestandaardiseerd voor de provinciale aanlevering INSPIRE. De rijksoverheid heeft in de Nota Ruimte 20 Nationale Landschappen aangewezen. Twee daarvan liggen in Fryslân: Zuidwest-Fryslân en Noordelijke Wouden. Nationale Landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Het doel is om de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van de Landschappen te behouden, duurzaam te beheren en waar mogelijk te versterken. In samenhang daarmee dient ook de toeristische betekenis toe te nemen.

  • In de late middeleeuwen werd aan strategisch geplaatste dorpen stadsrechten gegeven, waardoor deze vestingwerken mochten aanleggen. Steden als Deventer, Zwolle en Genemuiden vallen hieronder. De verdedigingswerken waarvan we tegenwoordig nog sporen kunnen zien (aarden wallen en grachten) stammen echter vaak uit de vroegmoderne tijd. Veel vestingwerken zijn geslecht vanaf de tweede helft van de 18e eeuw. Bij enkele steden zijn ze echter nog goed zichtbaar, waaronder Deventer, Zwolle, Kampen, Blokzijl, Steenwijk en Hasselt. Bij andere steden is de structuur nog wel zichtbaar, maar zijn de elementen zelf verdwenen, zoals Oldenzaal, Rijssen, Ommen, Ootmarsum en Genemuiden. De oude stad van Kuinre is zelfs in zijn geheel niet meer aanwezig en richting het oosten verplaatst. De kaart is gebaseerd op een bestaande kaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, namelijk Steden_met_stadsrechten. Hieraan zijn de volgende kolommen toegevoegd: ind_cult_dis, ind_periode, ind_obj_groep, ind_obj_beschr, ind_obj_naam en ind_obj_naam.

  • Deze data is gestandaardiseerd voor de provinciale aanlevering INSPIRE. Bestand bevat de 47 Bkl-contouren rond de kleinere vliegvelden Drachten en Ameland.

  • Weergave van het dakoppervlak (in hectare) in Gelderland. Naast het totale dakoppervlak wordt er ook onderscheidt gemaakt in dak, oppervlak van bebouwing buiten bebouwde kom, bebouwing binnen bebouwde kom (zonder bestemming bedrijventerrein, bebouwing binnen bebouwde kom (met bestemming bedrijventerrein).

  • Er komt tegenwoordig meer waardering voor recentere ruimtelijke ontwikkelingen en in Nederland zijn de ruilverkavelingen hier een goed voorbeeld van. Hoewel deze projecten funest zijn geweest voor het kleinschalige cultuurlandschap, ziet men de grote herinrichtingsprojecten tegenwoordig ook als ruimtelijke illustratie van ontwikkelingen uit het verleden. Wat vooral opvalt binnen deze ruilverkavelingsblokken zijn de veranderingen in verkaveling en de infrastructuur. Het landschap werd rationeler en doelmatiger ingericht, wat voor de betrokken boeren vaak een zegen was. Op de kaart zijn verschillende ruilverkavelingsblokken gekarteerd. Het betreft dus alleen het gebied waarbinnen een ruilverkaveling heeft plaatsgevonden. De daadwerkelijke veranderingen zijn niet gekarteerd. Wel moet men bedacht zijn op de enorme invloed die een ruilverkaveling of herinrichting gehad kan hebben. Niet alleen op het landschap, maar ook op de dorpen en zelfs een gemeenschap. De ruilverkavelingen zijn ingedeeld naar periodes die overeenkomen met de verschillende Landinrichtingswetten die toen van kracht waren. De periode 1924 1953 is de tijd van de eerste Ruilverkavelingswet, waarin landschappen vaak volledig op de schop gingen voor een optimale agrarische benutting. Bij deze ruilverkavelingen werd in mindere mate naar het oorspronkelijke cultuurlandschap gekeken. Tussen 1954-1984 was de tweede Ruilverkavelingswet van kracht en kreeg landschap een iets prominentere rol, al dan niet met een landschapsplan. Vanaf 1985 werd de ruilverkaveling vervangen door de meer landschapsvolgende Landinrichtingswet. De RCE (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) heeft onlangs een aantal wederopbouwgebieden in Nederland aangewezen als waardevol. In Overijssel is een gebied bij Vriezenveen. Dit gebied is op de kaart aangegeven.