revisionDateYear

2005

63 record(s)
 
License
Type of resources
protocol
Years
revisionDateYears
publicationDateYears
From 1 - 10 / 63
  • Het bestand bevat de isohypsen 1e watervoerend pakket (gemiddeld) . De gegevens zijn afgeleid uit de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG), de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) situatie 2003. De gegevens zijn gecorrigeerd op schijngrondwaterspiegels en kleischotten. Een isohypse of hoogtelijn is een lijn op een kaart die punten met gelijke hoogte boven zeeniveau met elkaar verbindt. Een watervoerend pakket is een bodemlaag die water doorvoert en die aan boven- en onderzijde begrensd wordt door een ondoorlatende laag of door een vrije waterspiegel.

  • Het gebruikte basisbestand is afkomstig uit een onderzoek dat TNO in opdracht van de provincie heeft uitgevoerd naar de mogelijkheden voor koude-warmte opslag in de provincie. (TNO-rapport 'Regionale bodemkansenkaart Zuid-Holland. Geschiktheid van de bodem voor laag calorische opslag van koude/warmte in Zuid-Holland, juli 2000). Op basis van de meegeleverde legenda van het basisbestand is een nieuw bestand gemaakt ‘zoet-zout grondwatervoorkomens’. De legenda eenheden zijn in de kolom ‘zoet/brak’ aangegeven. Deze kaarten zijn onderdeel van de bodemvisie en het betreft indicatieve kaarten. Op het moment dat op een specifiek gebied of vraag wordt ingezoomed moet altijd bekeken of nadere informatie beschikbaar is.

  • Het gebruikte basisbestand is vervaardigd door DHV in opdracht van de provincie Zuid-Holland in het kader van een onderzoek naar de diffuse bodemkwaliteit van het landelijk gebied (rapport 'Bodemkwaliteitskaart op basisniveau van het landelijk gebied van Zuid-Holland', december 2004). Het basisbestand is omgezet naar het bestand ‘diffuse bodemkwaliteit’. De kaart is ingekleurd op de kolom ‘gebiedstyp’ dit is één op één overgenomen uit de rapportage van de bodemkwaliteitskaart van het landelijk gebied. Het gebiedstype van een zone wordt bepaald aan de hand van de ligging van de mediaan (P50) en de 95-percentiel (P95) ten opzichte van de streefwaarde, de tussenwaarde en de interventiewaarde. Deze kaarten zijn onderdeel van de bodemvisie en het betreft indicatieve kaarten. Op het moment dat op een specifiek gebied of vraag wordt ingezoomed moet altijd bekeken of nadere informatie beschikbaar is.

  • Het bestand geeft de hoofdstroomgebieden, deelstroomgebieden en substroomgebiedenweer.

  • De gebruikte bestanden zijn vervaardigd door TNO in opdracht van de provincie Zuid-Holland in het kader van een onderzoek naar de verzilting in de provincie (TNO rapport 'bepaling toekomstige verzilting van het grondwater in Zuid-Holland, september 2004). Eén bestand geeft de fluxen (mm/dag) van en naar het top-systeem weer. ‘Een ander bestand geeft de zoutconcentratie (mg/l) in het jaar 2000 op 22 meter diepte weer. Beide bestanden zijn omgezet naar het bestand ‘kwel-infiltratie’ en ‘zoutconcentratie’. In ‘kwel-infiltratie’ is onderscheid gemaakt in kwel, infiltratie en gebieden waar geen flux aanwezig is. In ‘zoutconcentratie’ is onderscheid gemaakt in zoutconcentratie kleiner dan 200mg/l en groter dan 200mg/l. Deze bestanden zijn gecombineerd tot het bestand ‘zoutbelasting onderzijde afdekkende laag’. Gebieden met kwel en waar de zoutconcentratie hoger is dan 200mg/l zijn in de laatste kolom ‘relevant’ van het bestand aangemerkt als ‘ja’. Deze kaarten zijn onderdeel van de bodemvisie en betreffen indicatieve kaarten. Op het moment dat op een specifiek gebied of vraag wordt ingezoomed moet altijd bekeken of nadere informatie beschikbaar is.

  • Bodemdaling in Zuid-Holland heeft een zeer sterke samenhang met waterbeheer. Hierdoor is het niet mogelijk om realistische voorspellingen te doen van de bodemdaling over langere perioden. In plaats daarvan is de bodemdalingsgevoeligheid in kaart gebracht. Hiervoor is uitgerekend hoeveel veenoxidatie en klink er theoretisch zou optreden over een periode van 100 jaar, bij een vaste ontwateringsdiepte van 1 m en handhaving van de huidige stijghoogte in het eerste watervoerend pakket. Van de berekeningsuitkomsten zijn vervolgens drie klassen gemaakt: 'niet relevant', 'relevant' en 'speciaal aandachtsgebied'. De klassen weerspiegelen variaties in de opbouw van de ondergrond. Waar vooral zand voorkomt, is bodemdaling niet relevant. In klei- en veengebieden speelt bodemdaling wel een belangrijke rol. Kleigebieden en gebieden met een relatief dunne veenlaag vallen in de klasse 'relevant'. Het 'speciaal aandachtsgebied' omvat de tien procent van het provinciaal landoppervlak met de grootste bodemdalingsgevoeligheid. Het gaat hierbij vooral om gebieden met een dikke veenlaag. Uit de kaart voor bodemdalingsgevoeligheid blijkt dat een groot deel van de veenweidegebieden vanuit het thema bodemdaling om speciale aandacht vraagt bij inrichting en waterbeheer. Dit geldt vooral voor die gebieden waar het veen direct aan maaiveld voorkomt en niet wordt bedekt door klei (o.a. delen van Midden-Delfland, Alblasserwaard, Krimpenerwaard, het gebied tussen Gouda en Boskoop en rond de Nieuwkoopse Plassen). In de droogmakerijen rond Zoetermeer is het veen verdwenen door vervening en is bodemdaling minder relevant. Ook langs de Oude Rijn, op de Zuid-Hollandse eilanden en in een brede zone langs de Noordzeekust, met uitzondering van de laagten tussen de strandwallen, is bodemdaling niet relevant. Hierna worden drie scenario’s getoond van bodemdaling bij een vaste ontwateringsdiepte van 0,5, 1,0, resp. 1,5 m. Uit het scenario met een vaste ontwateringsdiepte van 1,0 m is de bodemdalingsgevoeligheidskaart gedestilleerd. De drie scenario's geven inzicht in de afhankelijkheid van bodemdaling voor het gevoerde waterbeheer. Er is bijvoorbeeld te zien dat bij een ontwateringsdiepte van 1,5 m het gebied met een bodemdaling van meer dan 10 mm/jaar meer dan 2 keer zo groot is als bij een ontwateringsdiepte van 0,5 m. Op het moment dat op een specifiek gebied of vraag wordt ingezoomed moet altijd bekeken of nadere informatie beschikbaar is.

  • De NIW (Nitrofiele Indicatie Waarde) is een maat voor de ammoniakbelasting en is gebaseerd op het voorkomen van ammoniakminnende korstmossen. Hoge waarden geven aan waar het milieu sterk verontreinigd is.

  • Het voorkomen van ammoniakminnende korstmossen, uitgedrukt in de Nitrofiele Indicatie Waarde (NIW). Verandering van indicatie waarde in de periode 2004-2010 per uurhok. Een toename van de NIW duidt op een verslechtering van het milieu.

  • De AIW (Acidofiele Indicatie Waarde) is een maat voor de ammoniakbelasting en is gebaseerd op het voorkomen van korstmossen die gevoelig zijn voor ammoniak. Hoge waarden geven aan waar het milieu nog relatief weinig beinvloed is.

  • Raster met effecten door grondwaterwinning 2005. De betekenis van de gridcodes zijn alsvolgt: 1,2= effect op kwel; 110, 120, 200= effect op GXG; 111, 112, 121, 122, 201, 202= effect op kwel en GXG; overige codes=