From 1 - 10 / 221
  • Bisschoppelijke versterking (puntenbestand). In 2010/2011 is een inventarisatie verricht van landgoederen in Overijssel. Hierbij zijn bestaande landgoederen en NSW-landgoederen in kaart gebracht. Ook een aantal verdwenen landgoederen is geïnventariseerd. Niet in de inventarisatie opgenomen zijn de landsheerlijke kastelen die de bisschoppen van Utrecht hebben laten bouwen, die zich nadien niet tot een landgoed of buitenplaats hebben ontwikkeld. Tussen 1100 en 1450 zijn in het Oversticht (de huidige provincie Overijssel) diverse verdedigingswerken aangelegd: kastelen, landweren en verdedigingstorens. Soms ook zijn bestaande kastelen door de bisschop veroverd of gekocht. In de loop der tijden verloren deze kastelen hun functie. Strategische overwegingen speelden soms een rol. De toegenomen kracht van het geschut rond 1500 was tevens een oorzaak dat de kastelen minder belangrijk werden als verdedigingswerk. En tenslotte verloren alle verdedigingswerken op de grens met Gelre en Drenthe hun betekenis toen Karel V in 1543 het huidige Nederland onder centraal gezag plaatste. Vanaf die tijd behoorden de grensconflicten, zoals die tussen het Oversticht en Gelre, tot het verleden. De kastelen werden afgebroken.

  • Riparian zones represent transitional areas occurring between land and freshwater ecosystems, characterised by distinctive hydrology, soil and biotic conditions and strongly influenced by the stream water. They provide a wide range of riparian functions (e.g. chemical filtration, flood control, bank stabilization, aquatic life and riparian wildlife support, etc.) and ecosystem services. The Riparian Zones products will support the objectives of several European legal acts and policy initiatives, such as the EU Biodiversity Strategy to 2020, the Habitats and Birds Directives and the Water Framework Directive. Land Cover/Land Use (LC/LU) classification is tailored to the needs of biodiversity monitoring in a tailored buffer zone along large and medium-sized European rivers (with Strahler levels 3-8 derived from EU-Hydro). LC/LU is extracted from VHR satellite data and other available data in a buffer zone of selected rivers. The classes follow the pre-defined nomenclature on the basis of MAES typology of ecosystems (Level 1 to Level 4) and Corine Land Cover, providing 80 distinct thematic classes with a Minimum Mapping Unit (MMU) of 0.5 ha and a Minimum Mapping Width (MMW) of 10 m. The production of the Riparian Zones products was coordinated by the European Environment Agency in the frame of the EU Copernicus programme. «Data was produced with funding by the European Union. Copyright Copernicus Programme» DISCLAIMER: Wageningen Environmental Research has undertaken to distribute the data on behalf of EEA under Specific Contract No 3436/R0-Copernicus/EEA.56950 implementing Framework service contract No EEA/IDM/R0/16/009/Netherlands. Wageningen Environmental Research accepts no responsibility or liability whatsoever with regard to the content and use of these data. The European Environment Agency accepts no responsibility or liability whatsoever with regard to the information on this site and the information does not necessarily reflect the official opinion of the EEA or other European Communities bodies and institutions.

  • In Twente bevindt zich op een diepte van 350 tot 500 meter een laag steenzout. Sinds 1933 wordt in de omgeving van Hengelo en Enschede zout gewonnen door AkzoNobel. Schoon water wordt naar beneden gepompt, waarna pekel omhoog wordt gepompt (oplosmijnbouw). De provincie Overijssel, adviseert over vergunningen van het Rijk voor zoutwinningen. Deze advisering is erop gericht om de zoutwinningen zo weinig mogelijk impact te laten hebben op de structuur van landbouw, natuur en landschap. Niet uitgesloten is dat in de toekomst nieuwe winlocaties nodig zijn. Gelet op de natuurlijke condities in de ondergrond ligt het zoekgebied voor toekomstige winlocaties in een straal van 25 km van het huidige zoutwingebied. Door zoutwinning zijn in Overijssel in de laag steenzout ruim 200 holle ruimten ontstaan (cavernes). In het verleden zijn deze cavernes vaak te groot of te hoog of te dicht bij elkaar gemaakt. Daarbij bestaat het risico dat de bovengrond verzakt of - in het ergste geval - instort. In Overijssel zijn er 63 zoutcavernes potentieel instabiel, 22 daarvan vormen een zodanig gevaar voor hun omgeving dat stabiliseren noodzakelijk is. AkzoNobel doet onderzoek naar de wijze waarop deze instabiele zoutcavernes kunnen worden gestabiliseerd. Een optie is om de cavernes te vullen met zogenaamde slurry en te laten uitharden. De bovenliggende gesteentelagen kunnen zo niet meer instorten. De proef wordt samen met de Ministeries van Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken, Staatstoezicht op de Mijnen, de gemeenten Hengelo en Enschede en AkzoNobel uitgevoerd. De proef is opgenomen in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP). Vanaf 1980 wordt volgens een andere methodiek zout gewonnen, de cavernes die sinds die tijd zijn aangelegd, zijn stabiel.

  • Archeologische monumenten. Vanaf de vroegste prehistorie tot de tegenwoordige tijd hebben de bewoners hun sporen in de bodem van Overijssel achtergelaten. Dit bodemarchief is een belangrijke en voor de prehistorie de enige informatiebron. Op grond van restanten van vroeger, zoals aardewerkscherven, (vuur-)stenen bijlen of verkleuringen in de bodem van bijvoorbeeld palen van boerderijen, is het mogelijk iets te vertellen over de mensen en hun levenswijze in het verleden. Dit bodemarchief is erg kwetsbaar: de overblijfselen bevinden zich meestal dicht onder het oppervlak. Bovendien is het bodemarchief maar eenmalig raadpleegbaar: wanneer iets is opgegraven, is het voorgoed verdwenen. Deze kaart toont de Archeologische Monumenten (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) Wet Archeologische Monumentenzorg. Op 1 september 2007 is de Wet archeologische monumentenzorg in werking getreden. Dit impliceert een ingrijpende wijziging van de Monumentenwet 1988. Voor archeologische waarden geldt per 1 september 2007 op basis van de gewijzigde Monumentenwet 1988 de wettelijke verplichting om bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten monumenten (artikel 38a).

  • In dit bestand zijn de geluidscontouren langs provinciale wegen vastgelegd zoals deze zijn berekend voor de EU-geluidskartering, 3e tranche. De Lden-contouren weerspiegelen de situatie voor het peiljaar 2016. De geluidsbelasting is berekend met het model SRM-II. Er is rekening gehouden met stil asfalt en geluidsschermen. De aftrek op grond van artikel 103 van de Wet geluidhinder is niet toegepast. Lden is het (energetisch) gemiddelde over de dag-, avond- en nachtperiode.

  • In 2009 heeft gemeente Koggenland een scan laten uitvoeren naar de geluidshinder veroorzaakt door spoorverkeer. De gepubliceerde kaart geeft een indicatie van de geluidshinder in 2020. De service bevat de geluidcontouren van alle sporen in de gemeente.

  • Deze kaart toont de gemodelleerde concentratie fijn stof (µg pm10/m³) voor 2017 op basis van rekenpunten uit de monitoringstool van het nsl. Deze vlakdekkende kaart van Nederland heeft een resolutie van 25 meter.

  • De BAG-data is bijgewerkt tot eind augustus 2019. Een ligplaats is een door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig aangewezen plaats in het water al dan niet aangevuld met een op de oever aanwezig terrein of een gedeelte daarvan, die bestemd is voor het permanent afmeren van een voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikt vaartuig.

  • Het betreft hier een vlakkenbestand. Na de ijstijden werd het in Nederland warmer en natter, waardoor op sommige plekken dode planten niet afgebroken werden maar zich opstapelden. Na eeuwen van opstapeling ontstond op die manier een dikke veenlaag. Vanaf de late middeleeuwen begon men dit veen te systematisch in gebruik te nemen. Om het veen te kunnen ontginnen werden slootjes voor afwatering gegraven. Meestal gebeurde dit vanaf een riviertje recht het veen in, zodat parallelle stroken ontstonden. Tussen de parallelle slootjes kon dan landbouw worden bedreven. Door de ontwatering zakte het maaiveld, waardoor aan de Zuiderzeekust het gebied kon overstromen. Hier is dan ook een kleilaagje over de agrarische veenontginning afgezet, de zogenaamde klei-op-veengebieden. Deze natte gebieden hadden een natuurlijke aantrekkingskracht op watervogels. Er werden eendenkooien aangelegd om watervogels gemakkelijker te vangen. Veel eendenkooien zijn reeds verdwenen maar er liggen nog enkele zichtbaar in het landschap, vooral in de Kop van Overijssel. Na de late middeleeuwen begon men op grotere schaal veen te winnen om als brandstof te gebruiken. Deze verveningen waren in eerste instantie niet grootschalig gecoordineerd. Vanaf de 19e eeuw werd het winnen van turf planmatig en grootschalig aangepakt, waarbij op vaste afstand van elkaar wijken werden gegraven om de turf te kunnen afvoeren. Voor deze veenkolonien werden kanalen gegraven zoals de Dedemsvaart. Soms kwam het maaiveld door vervening of agrarisch grondgebruik zo laag te liggen dat met behulp van dijken, molens en/of sluisjes het land kunstmatig droog gehouden moest worden en er polders ontstonden.

  • In de Interim omgevingsverordening zijn op de kaarten doorgroei- en vestigingsgebieden voor glastuinbouw aangeduid. Binnen de als zodanig vastgestelde gebieden is onder bepaalde voorwaarden een doorontwikkeling van bestaande glastuinbouwbedrijven en nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven toegestaan. Buiten deze gebieden zijn de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande glastuinbouwbedrijven beperkt. Daarnaast is ook een 'Teeltgebied Zunder' opgenomen. Hier gelden afwijkende regels voor kassen en permanente teeltondersteunende voorzieningen met het oog op de aanwezige boomteelt.