Zoeken
 
From 1 - 10 / 191
  • CORINE Land Cover 2006 database of the Netherlands (revised). Land cover of the Netherlands in 2006 based on satellite imagery in combination with ancillary data with reference date around 2006. Land cover mapping according to the CLC class descriptions with minimum mapping unit 25ha. The CORINE Land Cover (CLC) initiative has a longstanding tradition of providing land cover and land use information over Europe at regular time intervals. Over the past few decades, it gradually became one of the flagship european geospatial datasets. For the 2012 release, the global Monitoring for Environment and Security Programme (GMES, now called Copernicus), established in partnership with the European Commission and the European Space Agency (ESA), provides a unique opportunity to extend the CLC products with a new series of High Resolution (HR) layers, adressing 5 land cover characteristics that will provide valuable complementary information to the CLC datasets (i.e. imperviousness, forest areas, permanent grassland, wetlands and water bodies). The European Environment Agency (EEA) is responsible for the coordination of the pan-European component of GMES Initial Operations (GIO) Land Monitoring 2011-2013 in the framework of regulation (EU) No 911/2010 – Pan-EU Component. As the EEA highly values the cooperation with EIONET members and cooperating countries they were invited to participate in the production of CLC products and verification and enhancement of the HR layers.

  • CORINE Land Cover change (2006-2012) database of the Netherlands. Monitoring of CLC land cover changes between 2006 and 2012 with a minimum mapping unit (MMU) of 5ha. The CORINE Land Cover (CLC) initiative has a longstanding tradition of providing land cover and land use information over Europe at regular time intervals. Over the past few decades, it gradually became one of the flagship european geospatial datasets. For the 2012 release, the global Monitoring for Environment and Security Programme (GMES, now called Copernicus), established in partnership with the European Commission and the European Space Agency (ESA), provides a unique opportunity to extend the CLC products with a new series of High Resolution (HR) layers, adressing 5 land cover characteristics that will provide valuable complementary information to the CLC datasets (i.e. imperviousness, forest areas, permanent grassland, wetlands and water bodies). The European Environment Agency (EEA) is responsible for the coordination of the pan-European component of GMES Initial Operations (GIO) Land Monitoring 2011-2013 in the framework of regulation (EU) No 911/2010 – Pan-EU Component. As the EEA highly values the cooperation with EIONET members and cooperating countries they were invited to participate in the production of CLC products and verification and enhancement of the HR layers.

  • CORINE Land Cover 2012 database of the Netherlands. Land cover of the Netherlands in 2012 based on satellite imagery in combination with ancillary data with reference date around 2012. Land cover mapping according to the CLC class descriptions with minimum mapping unit 25ha. The CORINE Land Cover (CLC) initiative has a longstanding tradition of providing land cover and land use information over Europe at regular time intervals. Over the past few decades, it gradually became one of the flagship european geospatial datasets. For the 2012 release, the global Monitoring for Environment and Security Programme (GMES, now called Copernicus), established in partnership with the European Commission and the European Space Agency (ESA), provides a unique opportunity to extend the CLC products with a new series of High Resolution (HR) layers, adressing 5 land cover characteristics that will provide valuable complementary information to the CLC datasets (i.e. imperviousness, forest areas, permanent grassland, wetlands and water bodies). The European Environment Agency (EEA) is responsible for the coordination of the pan-European component of GMES Initial Operations (GIO) Land Monitoring 2011-2013 in the framework of regulation (EU) No 911/2010 – Pan-EU Component. As the EEA highly values the cooperation with EIONET members and cooperating countries they were invited to participate in the production of CLC products and verification and enhancement of the HR layers.

  • Wat is er te zien? De kaart geeft de oogstbare hoeveelheid biomassa buiten bos in de vorm van stamhout (ton droge stof per jaar) weer voor alle Nederlandse gemeenten. Bij de oogst wordt uitgegaan van een niveau dat over langere periode is vol te houden wat globaal inhoud dat er niet meer geoogst wordt dan er jaarlijks bijgroeit. Wat is de waarde? De kaart geeft inzicht in de geografische spreiding van hoeveelheden stamhout in Nederland. Producenten en houtverwerkende bedrijven kunnen deze informatie gebruiken voor hun bedrijfsvoering en strategische planning. Voor wie is dit belangrijk? Biomassa als stamhout kan worden gebruikt voor o.a. zaaghout, papier, pulp. De informatie is van belang voor eigenaren, producenten en gebruikers van stamhout buiten bos zoals gemeenten, waterschappen beherende organisaties en voor de houtverwerkende industrie, en de energiesector.

  • Wat ziet u? De bodemvruchthaarheidskaart deelt de Nederlandse gronden in naar natuurlijke bodemvruchtbaarheid. Vruchtbare bodems hebben als gevolg van de ontstaanswijze en het moedermateriaal van nature gunstige chemische, biologische en fysische eigenschappen voor de productie van landbouwgewassen. Bij de minder vruchtbare bodems zijn deze eigenschappen niet optimaal, deze bodems zijn van oorsprong arm en hebben vaak een lage pH. Wat is de waarde? Op vruchtbare bodems is met minimale hulpmiddelen en minimale belasting voor het milieu een maximale opbrengst te behalen. Voor wie is dit belangrijk? Deze kaart geeft belangrijke informatie voor rijksoverheden (EZ, E&M), provincies, gemeenten en organisaties die gebiedsplannen maken.

  • Wat ziet u? Deze kaart laat de potentiële koolstofvastlegging in de bodem zien voor de maatregel gewasrotaties verbeteren. Deze maatregel omvat het inbrengen van verschillende gewassen in een bouwplan, wat kan leiden tot verhoging van het organische stofgehalte, bijvoorbeeld door gras in de rotatie op te nemen. De kaart laat zien dat de potentie van deze maatregel t.o.v. andere maatregelen vrij hoog is, vooral in de typische akkerbouw gebieden (Veenkoloniën, Flevoland en Zeeland). Wat is de waarde? Deze kaart geeft samen met de kaarten voor de andere maatregelen inzicht waar in Nederland een bepaalde maatregel effectief kan zijn voor koolstofvastlegging in landbouwbodems. Voor wie is dit belangrijk? Deze kaart is van belang voor beleidsmakers en onderzoekers die zich bezig houden met klimaatmitigatie (koolstofvastlegging), maar ook voor de landbouwsector waar bodem organische stof een belangrijke indicator is voor de kwaliteit van de bodem.

  • Wat ziet u? Op de kaart ziet u het potentiele en actuele leefgebied van de boommarter (Martes martes)en daarbinnen de genetische structuur van de boommarter populatie in Nederland. De gentische informatie is verzameld op doodgevonden dieren en is gepresenteerd op uurhok niveau (vakken van 5 x 5 km) Waarde? Deze kaart geeft inzicht in de genetische structuur en beheer eenheden. Genetisch is de populatie vitaal maar is er wel sprake van enige substructuur tussen de belangrijkste voortplantingsgebieden. Voor wie is dit van belang? Beheerders / Provincies (beleid) / Waterschappen

  • Wat ziet u? Deze kaart laat de potentiële koolstofvastlegging in de bodem zien voor de maatregel waarbij een vanggewas en groenbemester wordt toegepast. Bij deze maatregel wordt na het hoofdgewas een extra gewas ingezaaid dat nutrienten kan opnemen en uitspoeling kan voorkomen. Dit gewas wordt dan in het voorjaar weer ondergeploegd en zorgt op die manier voor extra aanvoer van organische stof. De kaart laat zien dat de potentie van deze maatregel t.o.v. andere maatregelen beperkt is, met de hoogste potentie in de Veenkolonien. Wat is de waarde? Deze kaart geeft samen met de kaarten voor de andere maatregelen inzicht waar in Nederland een bepaalde maatregel effectief zou zijn voor koolstofvastlegging in landbouwbodems. Voor wie is dit belangrijk? Deze kaart is van belang voor beleidsmakers en onderzoekers die zich bezig houden met klimaatmitigatie (koolstofvastlegging), maar ook voor de landbouwsector waar bodem organische stof een belangrijke indicator is voor de kwaliteit van de bodem.

  • Dit bestand is de basiskaart voor de kaart van de Weidevogelkansgebieden zoals vastgesteld in de Verordening Romte van 2014. Toelichting bij de werkkaart Weidevogellandschappen Voor het bepalen van de weidevogellandschappen zijn drie methoden gecombineerd: 1. Begrenzing op basis van landschapsanalyse. Voor deze analyse heeft het Olterterpoverleg een aantal selectiecriteria vastgesteld op basis van de Gemeenschappelijke verklaring van de Friese weidevogelorganisaties van 2011. Dit zijn:  Ten minste 10 broedparen van de Grutto of 50 broedparen steltlopers of 30 broedparen van kritische soorten per 100 ha. Voor dit criterium zijn de volgende gegevens gebruikt: BFVW-stippenkaart 2012, gegevens TBO's uit 2011 of 2012, Weidevogelmeetnet Friesland 2011 of 2012 en van RU Groningen van Zuidwest Fryslân uit 2009. De stippenkaart van de BFVW geeft het voor nu best beschikbare beeld van de verspreiding en de aantallen weidevogels in grote delen van Fryslân. De andere bronnen zijn als aanvulling gebruikt,  Voldoende openheid en rust. Voor dit criterium zijn gebieden geselecteerd die buiten de verstoringszones van storingsbronnen van openheid en rust vallen. Voor het bepalen van de verstoringszones zijn de verstoringsafstanden gebruikt die ook in het provinciaal beleid worden toegepast. Om in de weidevogellandschappen ruimte te laten voor herstel van openheid is verstoring door kleine bosjes, wegbeplantingen, verboste meeroevers en dergelijke eruit gefilterd. Erfbeplanting is als storingsbron gehandhaafd, omdat het verwijderen daarvan onhaalbaar wordt geacht,  Ten minste 250 ha groot. In het landelijke onderzoek naar weidevogellandschappen wordt uitgegaan van een minimumoppervlakte van het weidevogellandschap van 400 ha. Voor de Friese situatie is zowel met een minimum van 250 ha als 400 ha gerekend. In begrenzing en totale oppervlakte bleek echter nauwelijks verschil, zodat voor het criterium uit de Gemeenschappelijke verklaring is gekozen,  Afronden op logische landschappelijke eenheden. In de analyse zijn de Gruttostippen met een soort fusietechniek (kernel-density-analyse) 'uitgesmeerd' over het landschap en beperkt tot de deelgebieden met ten minste 10 broedparen per 100 ha. Zo ontstond een verspreidingskaart met Gruttodichtheden. Deze kaart is gecombineerd met de kaart van openheid en rust en beperkt tot gebieden die ten minste 250 ha groot zijn. Om een al te versnipperd kaartbeeld te voorkomen zijn deelgebieden bij elkaar genomen als tussenliggend ongeschikt gebied (verstoord, te weinig Grutto's) smaller was dan 500 m, net als in het landelijk onderzoek, 2. Aanvullen met de landelijke kaart van weidevogellandschappen (vervaardigd in opdracht van het Ministerie van EZ). Deze kaart valt ruimer uit dan de kaart op basis van 1. Voor de bovenbeschreven analyse waren recentere en meer complete gegevens beschikbaar dan voor het landelijke onderzoek. De landelijke kaart kan daarom opgevat worden als een aanduiding waar tot voor kort nog goede weidevogelgebieden lagen. Voor de nieuwe kaart zijn die gebieden opgevat als gebieden waar nog mogelijkheden voor herstel liggen als daar op korte termijn in wordt geïnvesteerd. Om die reden zijn ze toegevoegd aan de nieuwe kaart, Het kaartbeeld dat na 1 en 2 ontstond, is afgerond op logische landschappelijke grenzen zoals brede watergangen, meren, kanalen, autowegen, bebouwde kom, besloten landschappen en dergelijke. Op deze wijze vallen er nog veel kleine bosjes, gehuchten, beplantingen en andere lokale storingsbronnen binnen de weidevogellandschappen. De weidevogellandschappen vormen echter zoekgebied voor weidevogelkerngebieden en geven richting aan de aanvragen voor gesubsidieerd weidevogelbeheer. Buiten het weidevogellandschap maken die geen kans; daarbinnen moeten ze voldoen aan criteria voor effectief beheer (het Ecologisch toetsingskader). Die criteria vereisen bijvoorbeeld dat het (zwaar) beheer buiten verstoord gebied ligt, zodat langs die weg alsnog rekening wordt gehouden met lokale storingsbronnen en het feitelijke beheer op de goede plek komt te liggen. Met de uitgangspunten uit de Gemeenschappelijke Verklaring hebben de Olterterppartners de volgende criteria opgesteld voor weidevogellandschappen:  Ten minste 10 broedparen van de Grutto of 50 broedparen steltlopers of 30 broedparen van kritische soorten per 100 ha over de periode 2009-2012, op basis van de BFVW-stippenkaart,  Voldoende openheid en rust,  Ten minste 250 ha groot1. 3. Begrenzing uit Collectieve beheerplannen Van een aantal gebieden waren geen gegevens in de BFVW-database of andere bronnen beschikbaar, maar op basis van de gegevens uit Collectief beheerplannen voldeden die gebieden wel aan de minimale dichtheden weidevogels. Soms is er twijfel over de kwaliteit en de volledigheid van de telgegevens, maar deze gebieden krijgen voorlopig het voordeel van de twijfel en zijn toch opgenomen in de werkkaart. Die gebieden krijgen tot het in werking treden van het nieuwe stelsel (in 2016) de kans om goede gegevens te verzamelen en aan de minimumoppervlakte te voldoen. Naar verwachting is binnenkort een landelijke telmethode beschikbaar, waarmee in 2014 en 2015 goede gegevens kunnen worden verzameld. Hiermee krijgen die gebieden dezelfde kans als de gebieden waar wel al goede gegevens van zijn. Langs deze weg zijn een paar gebieden op de kaart beland, die kleiner zijn dan 250 ha. Tot 2016 krijgen die de kans om tot voldoende oppervlakte te komen.

  • Woonkernen waarvan en waarnaar verbindend openbaar vervoer plaatsvindt. Er vindt geen actualisatie van de data plaats. Voor de gemeente Vijfheerenlanden, die sinds 1 januari 2019 deel uitmaakt van de provincie Utrecht, is nog geen data beschikbaar.