publicationDateYear

2002

36 record(s)
 
License
Type of resources
protocol
Years
revisionDateYears
publicationDateYears
From 1 - 10 / 36
  • Dit kaartbeeld laat een globaal beeld zien van de geschatte gemiddelde (fosfaat)belasting in het oppervlaktewater (situatie periode 2030 - 2040) bij voortzetting van het mestbeleid (op basis van MINAS verliesnormen; situatie eind jaren negentig) en de huidige hydrologische situatie. Norm oppervlaktewater: 0,15 mg P/l; dit is het Maximaal Toelaatbare Risico: MTR

  • Dit kaartbeeld laat een globaal beeld zien van de geschatte gemiddelde (stikstof)belasting in het oppervlaktewater (situatie periode 2030 - 2040) bij voortzetting van het mestbeleid (op basis van MINAS verliesnormen; situatie eind jaren negentig) en de huidige hydrologische situatie. Norm oppervlaktewater: 2,2 mg N/l dit is het Maximaal Toelaatbare Risico: MTR

  • Bestand met de historische droogmakerijen. Een droogmakerij is een polder die is ontstaan door het droogleggen van een door de natuur of door de zelnering dan wel turfwinning gevormd meer. De fraaiste droogmakerijen vinden we ten zuiden van Leeuwarden in de vorm van de Grutte Wergeaster Mar en het Hempensermeer. De meeste voormalige plassen die als droogmakerijen worden aangeduid zijn dankzij een verbeterde bemaling in de directe omgeving of door aftapping drooggevallen.

  • Bestand met kruinige percelen. Evenals de terpen behoren de kruinige percelen tot het zogeheten 'man-made' reliëf, dat door de mens is opgeworpen. Van oorsprong zijn het akkers die vanaf de randen van de percelen bolrond rondom en naar het midden van de akker zijn geploegd. Het doel was de afwatering te verbeteren en zowel de slempgevoeligheid van de akker als de eventuele verstuiving van de bodem tegen te gaan. Kruinige percelen komen voor op lichte of zavelige kleigronden. Daarmee beperkt deze categorie zich tot de kwelderwallen langs de kust, de voormalige zeeboezems en de hogere delen van de aanwasvlakten.

  • Bestand met verdwenen en huidige sluizen almede het type sluis. Sluizen, of zijlen, zijn kunstmatige waterlozingspunten en punten voor watertoevoer. De bouw ervan hangt samen met het afsluiten van gebieden van het boezem- of zeewater door middel van dijken. De Friese boezem is aanvankelijk waarschijnlijk één stelsel geweest van met elkaar in verbinding staande wateren, maar vanaf de late middeleeuwen begon men scheidingen aan te brengen door middel van sluizen en werd de boezem in kleinere boezems verdeeld. Er worden verschillende typen sluizen onderscheiden: duikersluis of pomp; verlaat of schutsluit, zijl of uitwateringssluis.

  • Bestand met historische jaagpaden en trekwegen. Deze wegen zijn oorspronkelijk bedoeld om binnenschepen voort te trekken. In het begin door mankracht, later door trekdieren. Het stelsel van kanalen en gekanaliseerde waterwegen met jaagpaden op de kruin van de dijk kwam tot volle ontwikkeling in de 17de en 18de eeuw. Het verschil tussen een jaagpad en een trekweg ligt in de breedte van het dwarsprofiel van het begaanbare deel langs de waterweg. Langs de paden staan op sommige plaatsen nog rolpalen om een schip door een bocht of uit de monding van een haven te trekken (Haulerwijk, Stavoren).

  • Grenscontouren van het pleistocene landschap in Fryslân (3m-NAP).

  • Regionale waterberging gebruikt in de IHS (Integraal Hydrologisch Streefbeeld). Het zijn overstromingsgebieden met frequentie 1 maal per 20 jaar. Gebieden die eens per 20 jaar of vaker in de huidige situatie inunderen, rekening houdend met klimaatsveranderingen.

  • Bestand met terpen in Fryslân.

  • Bestand met verdwenen en bestaande spoorwegen in Fryslân.