publicationDateYear

2002

36 record(s)
 
License
Type of resources
protocol
Years
revisionDateYears
publicationDateYears
From 1 - 10 / 36
  • Bestand met natuurlijke en voormalige natuurlijke waterlopen. In eerste instantie dienden alle wateren in Fryslân de natuurlijke afwatering, of maakten er althans een onderdeel van uit. Rivieren, natuurlijke geulen en prielen, zeearmen, meren en meerstallen (waterplassen in een hoogveengebied) behoorden ertoe. Deze wateren met een natuurlijke oorsprong zijn opgenomen op de kaart, zowel de nog bestaande als de inmiddels verdwenen waterlopen. Om de afwatering en de mogelijkheden voor transport te verbeteren zijn veel natuurlijke waterlopen in de loop der tijd gekanaliseerd.

  • Dit bestand bevat de resultaten van de inventarisatie van de jongere bouwkunst in de provincie Fryslân. De gegevens zijn verzameld tijdens het Monumenten Inventarisatieproject (MIP), uitgevoerd tussen 1987 en 1994. De geïnventariseerde objecten en complexen zijn een historische getuigenis en bouwkundige vertaling van de ontwikkelingen die in de periode 1850-1940 op maatschappelijk, cultureel, technisch en economisch gebied hebben plaatsgevonden. In totaal gaat het om bijna 7000 objecten. Het betreft o.a. woonhuizen en wooncomplexen, boerderijen, bedrijfspanden van handel en industrie, openbare gebouwen, religieuze gebouwen, molens, scholen, sport en recreatievoorzieningen, weg en waterbouwobjecten, begraafplaatsen en vestingwerken

  • Bestand met verdwenen molens en type molen. De bestaande molens zijn opgenomen in de bestanden Rijksmonumenten en Jongere Bouwkunst.

  • Bestand met voormalige tolhuizen. Voor de derving van de kosten van de aanleg, het onderhoud en garanderen van de veiligheid op (vaar-) wegen kon tol worden geheven. Wegen werden verdeeld in tracés, die werden begrensd door een tolboom of tolhek bij een tolgaarderswoning. Voor de passage van personen en goederen diende het tol (recht of cijns) te worden afgedragen aan de tolgaarder. De woningen hebben een kenmerkende T-vormige plattegrond, waarbij de uitbouw haaks op de weg door de zijramen zicht bood op het naderend verkeer.

  • Bestand met de historische droogmakerijen. Een droogmakerij is een polder die is ontstaan door het droogleggen van een door de natuur of door de zelnering dan wel turfwinning gevormd meer. De fraaiste droogmakerijen vinden we ten zuiden van Leeuwarden in de vorm van de Grutte Wergeaster Mar en het Hempensermeer. De meeste voormalige plassen die als droogmakerijen worden aangeduid zijn dankzij een verbeterde bemaling in de directe omgeving of door aftapping drooggevallen.

  • Bestand met verdwenen en huidige sluizen almede het type sluis. Sluizen, of zijlen, zijn kunstmatige waterlozingspunten en punten voor watertoevoer. De bouw ervan hangt samen met het afsluiten van gebieden van het boezem- of zeewater door middel van dijken. De Friese boezem is aanvankelijk waarschijnlijk één stelsel geweest van met elkaar in verbinding staande wateren, maar vanaf de late middeleeuwen begon men scheidingen aan te brengen door middel van sluizen en werd de boezem in kleinere boezems verdeeld. Er worden verschillende typen sluizen onderscheiden: duikersluis of pomp; verlaat of schutsluit, zijl of uitwateringssluis.

  • Bestand met locaties van veenwinning en petgaten. Op de kaart zijn alle petgaten die er, voor zover ons bekend, zijn geweest aangegeven. Een groot deel ervan is later drooggemalen of gedempt en de resterende complexen (o.a. Alde Feanen, Deelen, Rottige Meenthe) hebben thans meestal een functie als natuurgebied.

  • Bestand met historische dijkdoorbraken. Dijkdoorbraken zijn in Fryslân talloze keren voorgekomen. Een dijkdoorbraak liet doorgaans diepe wiel of kolk achter, waaromheen vervolgens aan de zeezijde de dijk werd verlegd. Vele kolken zijn inmiddels verdwenen. Tamelijk abrupte bochten in (voormalige) dijken wijzen als regel op een vroegere doorbraak. De als gevolg van dijkdoorbraken ontstane kolken dienen niet te worden verward met de zogeheten dyksdelten of dijkputten, die op verschillende plaatsen binnendijks voorkomen. Laatstgenoemden zijn ontstaan door het steken van kleizoden ten behoeve van de aanleg, het herstel of de verhoging van de nabije dijk.

  • Historisch bestand met locaties waar in de geschiedenis kleiwinning heeft plaatsgevonden. De voor de kleiwinning geschikte gebieden werden perceelsgewijs afgeticheld (gemiddeld zo'n 60 centimeter) en daarmee werd hun maaiveld sterk verlaagd, waardoor ze goed herkenbaar in het landschap liggen, tussen de niet afgegraven hoger gelegen percelen. Meerdere honderden hectares kleiland moeten aldus in de loop der eeuwen zijn afgegraven. De kleiwinning langs de (voormalige) zeedijken houdt verband met uiteenlopende fasen van dijkaanleg en -verzwaring, waarvoor de benodigde klei zoveel mogelijk in de onmiddellijke omgeving werd gestoken. Een aantal van deze 'dyks-delten' of dijkputten is thans als natuurgebied in beheer.

  • Bestand met kruinige percelen. Evenals de terpen behoren de kruinige percelen tot het zogeheten 'man-made' reliëf, dat door de mens is opgeworpen. Van oorsprong zijn het akkers die vanaf de randen van de percelen bolrond rondom en naar het midden van de akker zijn geploegd. Het doel was de afwatering te verbeteren en zowel de slempgevoeligheid van de akker als de eventuele verstuiving van de bodem tegen te gaan. Kruinige percelen komen voor op lichte of zavelige kleigronden. Daarmee beperkt deze categorie zich tot de kwelderwallen langs de kust, de voormalige zeeboezems en de hogere delen van de aanwasvlakten.