From 1 - 10 / 147
  • Dit bestand bevat de volgende aantallen: - Aantal per VOC en VOI gedetecteerd per week - Totaal aantal metingen, de noemer, per wekelijkse steekproef Dit is gesplitst in de door de WHO (https://www.who.int/en/activities/tracking-SARS-CoV-2-variants/) aangemerkte Variant of Concern (VOC) en Variant of Interest (VOI). De week waartoe een monster behoord is gebaseerd op de datum van bemonstering. De aantallen zijn gebaseerd op de aselecte steekproef afkomstig uit de kiemsurveillance, dit betekent dat samples behorend tot uitbraken niet geïncludeerd zijn in de data. Het bestand is als volgt opgebouwd: - Een record per VOC en VOI aangemerkte SARS-CoV-2 variant per week. Dit bestand wordt wekelijks op de dinsdag geüpdatet. De manier waarop deze informatie gegenereerd wordt is anders dan de snel-testen en PCR-testen. Er worden geavanceerdere machines gebruikt die een langere doorlooptijd hebben dan, bijvoorbeeld, de machines gebruikt voor PCR-testen. Door alle logistieke processen is het daarom niet haalbaar om een representatief beeld te vormen van de laatste twee weken: deze worden dan ook niet gerapporteerd. Aanvullend, het kiemsurveillance project is sinds oktober 2020 operationeel met een toenemend aantal wekelijkse monsters tot medio begin Januari 2021, daarom zijn oudere data niet beschikbaar. Bij alle gerapporteerde data zijn de instructies, definities en voetnoten zoals vermeld op https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/virus/varianten leidend. N.B.: Door internationaal veranderende stamnaam definities op basis van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht kunnen de records in de hier gepresenteerde data aangepast worden. Beschrijving van de variabelen: Version: Versienummer van de dataset. Wanneer de inhoud van de dataset structureel word gewijzigd (dus niet de wekelijkse update of een correctie op record niveau), zal het versienummer aangepast worden (+1) en ook de corresponderende metadata in RIVM data (data.rivm.nl). Date_of_report: Datum en tijd waarop het databestand voor het laatst is bijgewerkt door het RIVM. Schrijfwijze: YYYY-MM-DD hh:mm:ss. Date_of_statistics_week_start: De datum van de maandag - eerste dag van die week - waarvoor de aantallen per week worden gepresenteerd. De laatste dag van de week is de zondag. Schrijfwijze: YYYY-MM-DD. Variant_code: Wetenschappelijke naam van SARS-CoV-2 variant op basis van Pangolin nomenclature. Kan letters, cijfers, schuine strepen en punten bevatten. Variant_name: Actuele WHO label van SARS-CoV-2 variant. Bestaat enkel uit letters. ECDC_category: Geeft aan of het een Variant of Concern (VOC) of Variant of Interest (VOI) is. Voor meer info zie ook: https://www.ecdc.europa.eu/en/covid-19/variants-concern. Sample_size: Toont de totale steekproefgrootte in de betreffende week aan. Bestaat enkel uit hele getallen. Variant_cases: Toont aan voor hoeveel gevallen uit de steekproef in de betreffende week de specifieke VOC of VOI gevonden is. Bestaat enkel uit hele getallen.

  • Water kan op veel plekken geborgen worden. Dit bestand geeft een beeld van de Waterberging in grote meren, waarmee de maximale bergingscapaciteit van de grote oppervlaktewateren bedoeld wordt. Deze is in beeld gebracht in m3 voor verschillende peilopzetten. De extra bergingscapaciteit wordt weergegevenbij een peilopzet van 10cm, 20cm en 30cm.

  • Het bestand CBSpostcode4 bevat statistische gegevens naar numeriek deel van een postcode (1234). Met ingang van het eerste kwartaal 2021 zijn gegevens over het jaar 2020 toegevoegd en zijn het aantal gegevens van de jaren 2019 en 2018 uitgebreid met gegevens over demografie, woningen, energie, inkomen, sociale zekerheid, nabijheid van voorzieningen en dichtheid. Lees voor meer informatie: https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/diversen/2021/statistische-gegevens-per-vierkant-en-postcode-2020-2019-2018

  • Het gegeneraliseerde Bestand Wijken en Buurten bevat gegeneraliseerde geometrie van alle gemeenten, wijken en buurten in Nederland met als attribuut een aantal statistische kerncijfers. De begrenzingen van wijken en buurten zijn voor een groot deel gebaseerd op wat de gemeenten aan het CBS doorgeven. De gemeentegrens is afkomstig uit het TOPgrenzen bestand van het Kadaster. Deze derde versie bevat het maximale aantal kerncijfers. Er komt geen update meer van deze versie. Via het Kadaster is tegen betaling ook een niet gegeneraliseerde versie verkrijgbaar. Lees voor meer informatie het volgende pdf ducument: http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/A829CFAB-2368-4318-8601-1C8F75DBE6F7/0/2009b68update2web.pdf

  • De BAG terugmeldingenservice bevat recente meldingen op informatie uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) waarover twijfel bestaat. De service toont de locatie, inhoud en status van de meldingen. Ook een vermoedelijke fout geconstateerd? Doe een melding op https://bagviewer.kadaster.nl/.

  • De kaartenset ‘irrigatiewater’ bestaat uit een combinatie van de volgende drie kaartlagen: • 5a (deze kaart): Effect van beregeningsonttrekkingen op grondwaterkwel (indicator voor effect van gebruik van deze ecosysteemdienst, op de ecosysteemdiensten ‘water voor terrestrische natuur’ en ‘water voor aquatische natuur’). • 5b: Locatie beregeningsonttrekkingen uit het grondwater (indicator voor gebruik/flow) • 5c: Vermeden reductie van gewasverdamping als gevolg van beregening (indicator voor effect van gebruik van deze ecosysteemdienst op landbouwproductie). Kaart 5a en 5b zijn bedoeld om gecombineerd te bekijken. De puntlocaties (5b) geven aan waar de onttrekkingen plaatsvinden (schatting op basis van het NHI) en kaart 5a toont de effecten op grondwaterkwel. Bij uitzoomen zullen alleen de onttrekkingslocaties zichtbaar zijn. Na inzoomen op een specifiek gebied, wordt het onderliggende effect van de onttrekkingen zichtbaar. Kaart 5c en 5b zijn bedoeld om gecombineerd te bekijken. De puntlocaties (5b) geven aan waar de onttrekkingen plaatsvinden (schatting op basis van het NHI) en kaart 5c toont de vermeden verdampingsreductie. Bij uitzoomen zullen alleen de onttrekkingslocaties zichtbaar zijn. Na inzoomen op een specifiek gebied, wordt het onderliggende effect van de irrigatie zichtbaar. Kaart 5a (deze kaart) toont het effect van grondwateronttrekkingen ten behoeve van beregening op grondwaterkwel in Zuid- en Oost-Nederland. Het effect op grondwaterkwel is gekozen als indicator voor het effect van gebruik van deze ecosysteemdienst op twee andere ecosysteemdiensten: ‘water voor terrestrische natuur’ en ‘water voor aquatische natuur’. Dit effect is vooral van belang in Zuid- en Oost-Nederland, waar de meeste beregening uit grondwater plaatsvindt en kwel naar beekdalen een belangrijke rol speelt. De kaart met grondwaterkwel toont zowel de afname van kwel (in mm per dag) als gebieden waar kwel geheel verdwijnt door de beregeningsonttrekkingen en omslaat naar infiltratie. Kaart 5b toont de ligging van beregeningsonttrekkingen in Nederland die aan het effect ten grondslag ligt en dient als ondersteuning van de interpretatie van de effectkaarten (5a en 5c). Kaart 5c toont de vermeden verdampingsreductie als gevolg van beregening. Landbouwgewassen worden beregend met als doel de gewassen altijd van genoeg water te voorzien om optimaal te groeien. Gewassen verdampen in dat geval ook maximaal (ook wel ‘potentiele gewasverdamping’ genoemd), terwijl reductie van verdamping optreedt wanneer gewassen niet voldoende water beschikbaar hebben (‘actuele gewasverdamping’). Kaart 5c is daarmee een goede maat voor de effectiviteit van beregening. Om de getallen in perspectief te zetten: een gewas verdampt in Nederland tijdens het groeiseizoen ongeveer 300 mm per jaar. Belangrijkste boodschap bij de kaart: Beregeningsonttrekkingen vinden plaats in relatieve korte perioden in het jaar (droge zomers, perioden met vochttekort in de wortelzone van gewassen), maar bereiken gezamenlijk een flinke omvang. Deze omvang is ’s zomers vergelijkbaar met die van de grote drinkwateronttrekkingen. De effecten zijn daarom ook niet gering en kunnen grote effecten hebben op andere ecosysteemdiensten, zoals drinkwatervoorziening en water voor terrestrische en aquatische natuur. Als deze ecosysteemdiensten maken namelijk gebruik van dezelfde watervoorraad. Onttrekking van grondwater zorgt, via verlaging van grondwaterstanden en stijghoogte, bijvoorbeeld voor afname van grondwaterkwel en daarmee basisafvoer in beken en verminderde beschikbaarheid van water van goede kwaliteit voor natte natuurgebieden. Uitgebreidere toelichting Beregeningswater wordt zowel onttrokken uit grondwater als uit oppervlaktewater. Het percentage dat uit grondwater wordt onttrokken varieert tussen ca. 80 en 65% van het irrigatiewater voor respectievelijk droge en natte jaren (Hoogeveen e.a., 2003) Veel provincies verplichten gebruik van oppervlaktewater. Steeds vaker wordt echter grondwater als alternatief genoemd, zeker in droge perioden. In gebieden waar gewassen worden verbouwd die gevoelig zijn voor bruinrot en ringrot, zoals aardappelen, is irrigatie uit oppervlaktewater verboden en is grondwater het enige alternatief. Onttrekking van grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van irrigatie gebeurt voornamelijk in perioden met een neerslagtekort. Beregening vindt dan plaats om het vochttekort in de wortelzone aan te vullen, ten behoeve van agrarische productie. In gebieden met fruitteelt wordt soms beregening uit grondwater ook toegepast om vorstschade aan bloesem in het vroege voorjaar te voorkomen. Meerdere ecosysteemdiensten maken gebruik van dezelfde watervoorraad. Voor beregening is het van belang dat voldoende oppervlaktewater of grondwater op beperkte diepte aanwezig is. De capaciteit van deze voorraden neemt af door beregeningsonttrekkingen, waardoor deze ook voor andere ecosysteemdiensten, zoals water voor drinkwater en industrie, water voor waterafhankelijke natuurgebieden en watervoerendheid en waterkwaliteit van beken afneemt (figuur 1). Beregeningsonttrekkingen hebben op zowel het oppervlaktewater- als het grondwatersysteem effect. Directe onttrekking uit het oppervlaktewater verlaagt de, in deze perioden reeds lage, beekafvoer waarvan waternatuur afhankelijk is. Onttrekking van grondwater zorgt, via verlaging van grondwaterstanden en stijghoogte, voor afname van zowel grondwaterkwel als beekafvoer. Vooral in droge perioden is deze kwel in de beek de belangrijkste bron voor beekafvoer en afname van kwel betekent een directe afname van de afvoer van beken. Veel natte natuurgebieden zijn afhankelijk van kwel omdat het zorgt voor (permanent) natte condities (hoge grondwaterstanden) en een bijzondere kwaliteit (bijvoorbeeld kalkrijk). Afname van kwel leidt tot een verslechtering van deze standplaatscondities voor de vaak bijzondere vegetatie in kwelafhankelijke natuurgebieden. Boeren investeren steeds meer in het beregenen van landbouwgrond. Het potentieel te beregenen areaal open landbouwgrond (dus zonder glastuinbouw) is de afgelopen jaren gestegen van 18 procent in 2003 naar 26 procent in 2010. Het deel van de landbouwgrond dat daadwerkelijk beregend werd is zelfs harder gestegen. In de periode 2002-2009 is het beregende areaal verdubbeld (Bron: CBS). Met name in de provincies Noord-Brabant, Limburg, Flevoland en de kop van Noord-Holland wordt een groot areaal beregend. Onderzoek in Noord-Brabant toont aan dat de vraag naar irrigatiewater evenredig toeneemt met het neerslagtekort. In de provincie Noord-Brabant is de ruimtelijke spreiding van het effect van irrigatieonttrekkingen op de grondwaterstijghoogte veel groter dan het effect op de freatische grondwaterstand. Dit komt door de aanwezigheid van weerstandbiedende lagen op geringe diepte (figuur 2). De omvang van de beregeningsonttrekkingen uit het grondwater kan in de zomerperiode een omvang bereiken gelijk aan die van alle drinkwaterwinningen samen (Kuijper e.a., 2012). Deze grote hoeveelheid die in een korte tijd wordt onttrokken, zorgt voor zeer sterke effecten. Figuur 3 toont een meting van het zogenaamde ELS-effect ( Extreem-Lage-Standen). Dit treedt op door beregeningsonttrekkingen in het grondwater en is op veel plaatsen in Noord-Brabant gemeten. Tijdens de beregeningsperiode neemt de kwel en basisafvoer sterk af. Voor veel gebieden verdwijnt de kwel zelfs (Figuur 3) en dit vindt juist plaats tijdens droge periodes waarin ook terrestrische en aquatische natuur water nodig heeft. Na het stoppen van beregening herstelt het watersysteem zich weer gedeeltelijk (zie Figuur 3). In de hoger gelegen infiltratiegebieden treden echter structurele dalingen van de freatische grondwaterstand als gevolg van beregeningsonttrekkingen uit het grondwater. Herkomst: Kaart 5a (deze kaart) Effect op grondwaterkwel: Deze kaartlaag (gridfile) is berekend met het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (NHI) versie 3.0.2. Kaart 5b Onttrekingslocaties voor beregening: Deze kaartlaag (punten, shapefile) toont de beregeningslocaties uit grond- danwel oppervlaktewater zoals deze zijn opgenomen in het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (NHI) (De Lange e.a., 2014), versie 3.0.2 Kaart 5c Vermeden verdampingsreductie als gevolg van beregening: De kaartlaag (gridfile) is berekend met NHI versie 3.0.2 (De Lange e.a., 2014). Het resultaat is tot stand gekomen door naast de referentierun, waarin normaal wordt beregend, het model door te rekenen voor een situatie waarin niet wordt beregend. De kaart toont het verschil in cumulatieve verdampingsreductie tussen beide modeluitkomsten voor het groeiseizoen (april tot oktober) van het droge jaar 2003 (frequentie ongeveer 1 maal per 10 jaar.

  • TOP25raster geeft het kaartbeeld van de topografische kaartserie 1:25.000 weer.

  • Aardgas- en elektriciteitslevering t.b.v. de Nationale Energieatlas

  • Voor analyses of applicatie-ontwikkeling in GIS, CAD en Desktop Mapping waarbij het niet nodig is om wijzigingen in het kaartbeeld aan te brengen, maar waarbij de kaart als ondergrond en referentie functioneert, is TOP50raster een goed alternatief. Dit bestand wordt softwarematig afgeleid uit de vectorbestanden.

  • Gegevens van geotechnisch sondeeronderzoek (kenset) zoals opgeslagen in de Basis Registratie Ondergrond (BRO). Geotechnisch sondeeronderzoek (in het Engels Cone Penetration Test, afgekort tot CPT) is onderzoek dat tot doel heeft informatie over de bodemkundige of geologische opbouw van de ondergrond te verwerven, waarbij in het veld metingen aan de ondergrond worden gedaan door een kegelvormige sonde de grond in te drukken. Traditioneel is het doel met de sonde de weerstand en de wrijving die de conus op de weg naar beneden ondervind te bepalen om daaruit mechanische eigenschappen van de ondergrond af te leiden. In de loop van de tijd is de sonde zo geëvolueerd dat een breed scala aan metingen verricht kan worden. Voor meer informatie raadpleeg www.basisregistratieondergrond.nl