From 1 - 10 / 76
  • De kaart toont de ligging van de drinkwaterwinningen uit grondwater in Nederland en de herkomst van het opgepompte water in de vorm van stroombanen. De stroombanen zijn routes die waterdeeltjes afleggen door de ondergrond. De kleur van de stroombanen geeft de reistijd aan. Uitgebreidere toelichting Circa 60 % van het drinkwater in Nederland wordt bereid uit grondwater. Het overige drinkwater wordt bereid uit oppervlaktewater. De keuze voor grond- of oppervlaktewater als bron voor drinkwater wordt veelal bepaald door de beschikbaarheid en de kwaliteit van het grondwater in de betreffende regio. Grondwater wordt beschouwd als aantrekkelijke bron voor drinkwater omdat het constant is van kwaliteit en minder dan oppervlaktewater is beïnvloed door menselijk handelen. Voor de bereiding van drinkwater uit grondwater volstaat veelal een eenvoudige zuivering, bestaande uit beluchting en zogenoemde snelfiltratie middels zandbedden (Broers en Lijzen, 2013). Meerdere ecosysteemdiensten maken gebruik van dezelfde watervoorraad. De beschikbaarheid van voldoende, niet verontreinigd water is de basisvoorwaarde voor het gebruik van grondwater als bron voor drinkwater. De capaciteit van deze voorraad neemt af door drinkwateronttrekkingen, waardoor deze ook voor andere ecosysteemdiensten, zoals irrigatiewater, water voor industrie, water voor waterafhankelijke natuurgebieden en watervoerendheid en waterkwaliteit van beken, afneemt (figuur 1 en 2). Ook andere activiteiten, waardoor water verontreinigd raakt (en verontreinigingen uit het verleden), zetten deze ecosysteemdienst onder druk. Enkele voorbeelden zijn: het toepassen van meststoffen en bestrijdingsmiddelen, het infiltreren van oppervlaktewater, lekkage van rioleringen en industriële activiteiten waarbij stoffen in de ondergrond kunnen infiltreren (diffuse verontreinigingen). De uitgangspunten van het beleid zijn vastgelegd door de rijksoverheid. Provincies geven hier nadere invulling aan in hun provinciale plannen en verordeningen. Provincies zijn niet verplicht een grondwaterbeschermingsgebied rondom een winning in te stellen, maar in de praktijk is dit bijna altijd wel het geval. Dit beschermingsbeleid richt zich op het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en niet op het aanpakken van bestaande verontreinigingen. Het provinciale beleid richt zich met name op het voorkomen van verontreinigingen uit stedelijke en industriële bronnen en calamiteiten en niet zozeer op reguliere landbouwactiviteiten. In het huidige beleid gelden bijvoorbeeld geen extra restricties voor het uitrijden van mest. Voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen zijn soms provinciaal, soms op lokaal niveau specifieke afspraken gemaakt (Vander Grift en Broers, 2005, Van den Brink et al. 2008). De wet bodembescherming (Wbb) regelt in principe het voorkómen van verontreinigingen en aanpak van bodemverontreinigingen door de veroorzakers ervan. De wet heeft in de huidige praktijk echter geen invloed op verontreinigingen van reguliere landbouwactiviteiten. Recent (maart 2013) oordeelde het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem echter wel tot een last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 13 Wbb door een agrariër wegens verontreiniging door mest op het eigen erf (Van der Veen en Hoekstra, 2014). Vanaf 2000 is ook het regime van de Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) en de Grondwaterrichtlijn (2006/118/EG) van toepassing op de bescherming van waterlichamen voor menselijke consumptie. Voor de Kaderrichtlijn Water zijn van alle kwetsbare drinkwaterwinningen gebiedsdossiers opgesteld welke de toestand en eventuele bedreigingen van de winning beschrijven. Indien hier maatregelen uit voortkomen (aanpak danwel monitoring) worden deze vastgelegd in de komende stroomgebiedsbeheerplannen. Drinkwater zelf wordt gereguleerd middels de Europese Drinkwaterrichtlijn (98/83/EG). Deze is in Nederland geïmplementeerd in de Drinkwaterwet, het Drinkwaterbesluit en de Drinkwaterregeling (allen: 2011). De herkomst van water voor de drinkwaterwinningen wordt berekend met het NHI versie 3.0 (stationaire berekening).

  • De Doetinchem Cohort Studie onderzoekt gezondheid en leefgewoonten van een grote groep mensen gedurende de levensloop. Deze dataset omvat de data die wordt verzameld in de Doetinchem Cohort Studie (DCS). In DCS wordt sinds 1987 de gezondheid van een groep willekeurig gekozen volwassen Nederlanders uit Doetinchem van oorspronkelijk tussen 20-60 jaar bijgehouden. Elke 5 jaar worden de gezondheid en leefgewoonten van de deelnemers onderzocht bij de plaatselijke GGD. NB de dataset is besloten en niet gepubliceerd i.h.k.v. de AVG

  • Data is niet algemeen beschikbaar. CC-BY 3.0 licentie betreft de metadata niet de dataset Wetenschappelijk, surveillance onderzoek naar het naso en oropharyngeale dragerschap van o.a. pneumokokken en meningokokken bacteriën voor evaluatie van de pneumokokken- en meningokokkenvaccinatie binnen het RVP (conform het onderzoeksprotocol met ABR nr. NL65919.100.18). De OKIDOKI-5 verzameld in de winter dataset omvat gegevens van 331 kinderen (24 maanden oud), 329 ouders en 53 broers/zussen (24 maanden t/m 6 jaar). Van deze deelnemers zijn keel, neus (uitgezonderd broers/zussen) en speekselsamples afgenomen. Ook is er een vragenlijst afgenomen (o.a. gezondheid, kinderopvang en gezinsgrootte). Bacterie isolaten zijn geïdentificeerd (inclusief subtypering voor pneumokokken en meningokokken). Scientific surveillance research of naso and oropharyngeal carriage of, among others, pneumococcal and meningococcal bacteria for the evaluation of pneumococcal and meningococcal vaccination in the National Immunization Program (following the research protocol ABR nr NL65919.100.18). The OKIDOKI-5 dataset contains data of 331 children (24-months old), 329 parents and 53 siblings (age 24 months up until 6 years of age). Of these participants nose (excluding siblings), throat and saliva samples are collected. Also questionnaire data (containing health data, daycare and family size). Bacteria isolated are identified (and subtyped in case of pneumococcal and meningococcal bacteria).

  • De indicator is een schatting van potentiele koudewinning uit plassen dieper dan 10 meter voor koeling van woon- en verblijfruimten, ziekenhuizen, computercentra e.d. In Nederlandse stedelijke gebieden zijn voor zandwinning 20-40 meter diepe putten gegraven welke daarna als recreatieplas bleven bestaan. ’s Zomers ontstaat in deze plassen op 5-8 meter diepte een temperatuurspronglaag (thermocline) waaronder 5-10 °C koud water bewaard blijft van de vorige winterse periode. Deze koudevoorraard kan gebruikt worden of wordt gebruikt voor koeling. Momenteel wordt nog alleen koude gewonnen uit de Nieuwe Meer en de Ouderkerkerplas in het zuidelijke stedelijke gebied van Amsterdam. De waterschappen verlenen de vergunning voor de koudewinning waarbij getoetst wordt op waterkwaliteit, visgroei en waken voor hinderlijke vormen van algenbloei, met inspraak van belanghebbenden in het recreatieve gebruik of nut van de plas. Deze kaart geeft een voorbeeld voor drie plassen ronde Amsterdam en geeft alleen beeld van de directe koudewinning uit plassen.

  • Zoet oppervlaktewater wordt gebruikt voor een aantal doeleinden, waaronder voor drinkwater en industrie. Voor deze watervraag is binnen ‘Deltaprogramma zoet water’ bepaald wat de totale hoeveelheid water is die aangevoerd kan worden en wat het uiteindelijke tekort aan zoet water voor dit doeleinde is. De resultaten kunnen gepresenteerd worden voor 5 deelgebieden waarin Nederland is verdeeld in de sommen die DP Zoetwater heeft laten uitvoeren. (getallen in m3/zomerhalfjaar).

  • De kaart geeft de geologische winbare hoeveelheid zand, grind en klei weer wanneer er niet meer dan maximaal 5 meter aan deklaag moet worden afgegraven. Voor de productie van veel bouwmaterialen wordt gebruik gemaakt van oppervlaktedelfstoffen. In Nederland is jaarlijks circa 150 miljoen ton aan bouwgrondstoffen nodig. Een deel daarvan komt uit het buitenland, een deel wordt verkregen door hergebruik (15 tot 20 %), maar nog steeds wordt een groot deel verkregen uit primaire winning. Sinds 1900 is de winning van ophoogzand op verschillende locaties uitgevoerd door maaiveldverlaging in het kader van landbouwkundige verbeteringen (ruilverkaveling). Sinds de jaren zeventig is er een afname in oppervlakkig ontgronden door toenemende maatschappelijke weerstand en strengere wetgevingen. Zandwinning vindt nu voornamelijk plaats in geconcentreerde winputten. Aanvullend vindt winning plaats middels het "werk met werk maken" principe. Hierin wordt bijvoorbeeld in nieuwbouwprojecten zand gewonnen voor gebruik in het project en tegelijkertijd waterberging gecreëerd. Voor winning van oppervlaktedelfstoffen is per jaar circa 400 hectare oppervlakte van ons land noodzakelijk. Ongeveer de helft daarvan, circa 200 hectare, blijft achter als diep water. De andere 200 hectare krijgt via herinrichting een nieuwe ruimtelijke bestemming, bijvoorbeeld als natuur- of recreatiegebied. Alternatief is de winning van zand uit het IJsselmeer, de Randmeren en de Noordzee. De winning van grind is vooral voorzien plaats te vinden uit de maaswerken in Limburg. De winning en reservering van zand en grind zijn bij de wet geregeld en land based winlocaties worden door de provincie aangewezen. De winning van zand en grind legt een ruimtebeslag die enerzijds kan conflicteren met ander gebruik, anderzijds kan ook de winning samengaan met inrichtingsvraagstukken zoals het geven van ruimte voor de rivieren en tijdelijke waterberging.

  • Het betreft hier het wingebied voor schelpenwinning met mogelijkheid voor informatie over locatie van huidige winning en gewonnen hoeveelheid schelpen. Schelpen vormen een natuurlijke grondstof die van oudsher langs de kust gewonnen wordt. De schelpen die gewonnen worden bestaan uit voornamelijk fossiele schelpen van bijvoorbeeld kokkels, mosselen, nonnetjes en gapers. De schelpen worden gebruikt als bouwgrondstof voor diverse toepassingen, zoals drainage, isolatie, monumentenrestauraties, oeverbeschermingen, vogelrustplaatsen, fiets- en wandelpaden, gritfabricage, mengvoeders e.d. Schelpenwinning is toegestaan in gebieden tot 50 kilometer uit de kust, vanaf de NAP -5 m dieptelijn. De winning vindt behalve in de Noordzee en de Voordelta plaats in de buitendelta’s en zeegaten van de Waddenzee. In de Waddenzee en Voordelta vindt dit plaats op door natuurlijke processen vrijgekomen banken van (dode en veelal fossiele) schelpen. Er worden derhalve geen zandlagen door de schelpenvissers verplaatst. Er is voor de winning van schelpen landelijk beleid vastgesteld in de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning (1998) en in de partiële herzieningen (2001 en 2004) hiervan. De hoeveelheden schelpen die gewonnen mag worden is gebonden aan een vergunning onder de Natuurbeschermingswet. De schelpenwinning in de Waddenzee wordt gereguleerd door contingentering en zonering. De maximaal te winnen hoeveelheid schelpen wordt berekend op basis van de natuurlijke aanwas van de schelpen. Het quotum van te winnen schelpen is kleiner dan het natuurlijk gemiddelde jaarlijkse natuurlijke aanwas van schelpen (in de Waddenzee). Het totale jaarlijkse winquotum voor de periode van 2014-2016 is vastgesteld op 160.000m3. Hiervan mag maximaal 50% (80.000m3) in het PKB-gebied Waddenzee worden gewonnen. In de praktijk wordt de winning vooral bepaald door de vraag. In de periode2007-2010 is 135.000 m3 per jaar gewonnen. Het is nu nog onduidelijk hoe de vraag naar deze natuurlijke grondstof zich zal ontwikkelen hoewel een kleine verschuiving verwacht wordt van de Waddenzee en de Voordelta naar de Noordzee.

  • De kaart laat het internationale verkeersscheidingsstelsel voor de scheepvaart zien op het Nederlandse Continentaal Plat (NCP) als onderdeel van de functie van water in de voorziening van transport. Het Nederlandse Continentaal Plat (NCP) behoort tot de drukst bevaren zeeën ter wereld. Nederland is als handelsnatie afhankelijk van het vervoer van goederen. Het belangrijkste deel hiervan vindt plaats via vaarwegen en over de Noordzee. De Noordzee is een belangrijke schakel in scheepsroutes en dient als verbinding tussen Europa en de andere wereldmarkten. De zee en de binnenwateren maken transport mogelijk op een grootschalige en relatieve goedkope manier. Over de Noordzee ligt een uitgebreid netwerk van internationale scheepvaartroutes en vaargeulen, het verkeersscheidingsstelsel, dat het scheepvaartverkeer in goede banen moet leiden. Oorspronkelijk bedoelt ter vergroting van de veiligheid, dient het verkeersscheidingsstelsel ook als instrument voor de ruimtelijke ordening op zee en ter bescherming van het mariene milieu. Het verkeersscheidingsstelsel zorgt ervoor dat de schepen een optimale, veilige afstand kunnen bewaren tot elkaar, tot olie- en gasplatforms en tot andere objecten zoals windmolenparken. Tegengestelde verkeersstromen richting de havens worden gescheiden en grote tankers varen via de 'diepwaterroute', verder uit de kust. Recreatievaart mag deze route juist niet gebruiken. Rijkswaterstaat houdt toezicht en begeleidt het verkeer op zee. Op zee kunnen conflicten met ander gebruik optreden zoals instelling van gebieden met een beschermende status, reservering van gebieden voor offshore energieopwekking, en olie en gas exploratie en productie.

  • Waterzuivering van de ondergrond gaat over verschillende aspecten en processen; denitrificatie, mobilisatie van metalen in het grondwatercompartiment en uitspoeling van metalen uit de bodem, biologische afbraak van verontreinigingen (bijv. olieverontreinigingen), afbraak van microbiologische verontreinigingen (bijv. virussen). Voor deze kaart kiezen we als voorbeeld van ‘waterzuivering van de ondergrond’ de potentie voor denitrificatie. De redoxtoestand van het grondwater geeft een eerste aanwijzing voor de potentie voor denitrificatie. De kaart is een landsdekkende puntenkaart die de gemiddelde redoxtoestand (in de tijd) in de bovenste filter van de grondwaterputlocatie weergeeft. De grondwatermonsters zijn ingedeeld in 4 klassen: • Aeroob en/of nitraathoudend grondwater, • Mix grondwater met nitraat en ijzer; • Anaeroob grondwater (gunstig voor denitrificatie); • Sterk anaeroob grondwater (gunstig voor denitrificatie); De criteria voor de indeling van de grondwatermonsters op redoxklasse staan beschreven (Vermooten et al., 2006) waarbij voor de leesbaarheid is gekozen om de categorie SO4-reducerend grondwater en SO4-gereduceerd/methanogeen grondwater samen te nemen in de categorie ‘Sterk anaeroob grondwater’. Daarnaast is hieronder een extra puntenkaart toegevoegd die de pH weergeeft voor dezelfde filters. De pH is een eerste aanwijzing van de mate waarin sporenelementen (bijv. zware metalen) wel of niet mobiel zijn. Het kan gaan om metalen die uit de bodem uitspoelen en om metalen die in het grondwatercompartiment gemobiliseerd raken bij bijvoorbeeld pyrietoxidatie.

  • De kaart geeft sedimentsamenstelling van de zeebodem en de reserveringsgebieden voor zand en grind op het Nederlands Continentaal Plat (NCP). Deze kaart bestaat uit drie verschillende lagen: a) Zoekgebieden b) Wingebieden c) Ecotopenkaart Voor Nederland vormen zand en grindbelangrijke natuurlijke grondstoffen. Voor Nederland is zand als suppletiezand onmisbaar voor de bescherming van haar kust en achterland. Daarnaast vormt het een belangrijke bouwstof voor infrastructurele werken (vooral als ophoogzand)en in kleinere mate ook grondstof voor industriële doeleinden (industriezand). In het besluit Bodemdelfstoffen is voorzien dat vanwege het ruimtebeslag de winning op land zoveel mogelijk moet worden voorkomen, zodat steeds meer zand op zee wordt gewonnen. Zowel voor de economische groei als vanwege klimaatverandering en stijgende zeespiegel zal de vraag naar deze natuurlijke grondstof naar verwachting toenemen. Vanwege verschillen in de samenstelling is niet al het zeezand is geschikt voor alle doeleinden. De winning en reservering zijn bij de wet geregeld en er zijn reserveringsgebieden aangemerkt op het NCP. Echter met een toenemende vraag neemt ook de zorg om de impact op het milieu toe.