License

CC BY-NC-ND

6 record(s)
 
License
Type of resources
Service types
protocol
Years
revisionDateYears
From 1 - 6 / 6
  • Zoet oppervlaktewater wordt gebruikt voor een aantal doeleinden, waaronder voor het beregenen van gewassen Water wordt gebruikt om de landbouwgewassen van water Voor deze watervraag is binnen ‘Deltaprogramma zoet water’ bepaald wat de totale hoeveelheid water is die aangevoerd kan worden en wat het uiteindelijke tekort aan zoet water voor dit doeleinde is. De resultaten kunnen gepresenteerd worden voor 5 deelgebieden waarin Nederland is verdeeld in de sommen die DP Zoetwater heeft laten uitvoeren. (getallen in m3/zomerhalfjaar).

  • Deze kaart toont bijzondere bomen, die zijn opgenomen in het Landelijk Register van Monumentale Bomen van de Bomenstichting. In dit register zijn bomen opgenomen die volgens de Bomenstichting van nationaal belang zijn. In veel gevallen gaat het om bomen met een hoge leeftijd, met een bijzondere schoonheid of zeldzaamheidswaarde, of een beeldbepalende functie voor de omgeving. Dit betekent niet dat de bomen ook ‘monument’ zijn in de context van de Erfgoedwet. Wel kunnen ze in een beschermde context staan, bijvoorbeeld aan een beschermde laan of op een buitenplaats. In samenwerking met de Bomenstichting heeft de RCE de bomen en boomgroepen op de kaart gezet. De potentieel monumentale bomen en de afgestorven bomen zijn bewust buiten de selectie gelaten. Vanuit de kaart is voor elke boom direct door te linken naar het digitale register. De RCE stelt de kaart alleen als viewservice beschikbaar. Neem voor dataleveringen contact op met de Bomenstichting.

  • De kaart toont de ligging van Nederlandse natuurgebieden, onderverdeeld naar grondwaterafhankelijkheid en de mogelijkheden voor wateraanvoer uit het hoofdwatersysteem. Allereerst zijn natte, grondwaterafhankelijke natuurgebieden (cat 1, cat 4 en overige natuur) onderscheiden van droge natuurgebieden. Daarna is bepaald wat de wateraanvoermogelijkheden zijn vanuit het hoofdwatersysteem. Rijkswaterstaat hanteert hiervoor de verdringingsreeks. Een deel van de Nederlandse natuurgebieden bevindt zich in categorie 1 van de verdringingsreeks: natuur gebonden aan bodemgesteldheid, waarbij watertekort tot onomkeerbare schade kan leiden. Dit zijn de veengebieden met hoofdfunctie natuur, waar wateraanvoer het natuurgebied ook daadwerkelijk kan bereiken. Natuurgebieden op veen die voor wateraanvoer niet bereikbaar zijn, zijn weergegeven als overige natuur. In deze gebieden biedt wateraanvoer vanuit het hoofdwatersysteem geen soelaas en is de beschikbaarheid van gebiedseigen water van groot belang. Natte natuur, waar bij watertekort geen onomkeerbare schade optreedt, valt in categorie 4. Tenslotte is aangegeven of de gebieden een beschermde status hebben. Natura2000 betreft het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden, de overige gebieden zijn geclassificeerd niet-Natura2000. Uitgebreide toelichting In Nederland zijn grofweg vijf typen natuur te onderscheiden: 1. Hoge zandgronden met bossen en droge heide 2. Natte natuur met hoge waterpeilen zoals het IJsselmeer, de weerribben en oppervlaktewater- gevoede veenplassen. 3. Kwelafhankelijke natuur die veelal in beekdalen te vinden is. 4. Overstromende natuur, zoals de uiterwaarden in het rivierengebied. 5. Duinen en stranden Kwelafhankelijke natuur is gebonden aan hoge grondwaterstanden en grondwater met een specifieke chemische samenstelling (basen rijk en niet verontreinigd). De kwelafhankelijke natuurgebieden zijn voornamelijk te vinden in beekdalen, maar ook in andere gebieden waar sprake is van een kwelsituatie, zoals bijvoorbeeld langs de Hondsrug, de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe wordt de natuur beïnvloed door het grondwater. Andere systemen die sterk afhankelijk zijn van de grondwatersituatie zijn hoogvenen en vennen. Ook in de duinengebieden is de natuur vaak afhankelijk van specifieke beïnvloeding door grondwater. In veel kwelafhankelijke natuur is sprake van verdroging en verzuring door te lage grondwaterstanden in omliggend gebied (door drainage) of door grondwateronttrekkingen (Aggenbach, 2005, Witte et al. 2007). In terrestrische ecosystemen is vaak sprake van vermesting door te voedselrijk grondwater. Al deze knelpunten leiden tot afname van de biodiversiteit (Aggenbach, 2005, Witte et al. 2007). Meerdere ecosysteemdiensten maken gebruik van dezelfde watervoorraad. Voor natte natuurgebieden en waternatuur (beken en kreken) is het van belang dat voldoende water van goede kwaliteit aanwezig is. Beschikbare grondwatervoorraden spelen hierin een cruciale rol, niet alleen voor de levering van voldoende water, maar ook van de juiste kwaliteit. De capaciteit van deze voorraden neemt af door gebruik voor andere ecosysteemdiensten, zoals onttrekkingen voor irrigatie en drinkwater (figuur 1). Ook andere ontwikkelingen die ingrijpen op de grondwaterstanden en stijghoogten, zoals toename van drainage in landbouwgebieden, kunnen van grote beperkende invloed zijn op kwelafhankelijke natuur. In tijden van watertekort hanteert Rijkswaterstaat de verdringingsreeks om te bepalen hoe het oppervlaktewater uit de rijkswateren wordt verdeeld over verschillende watervragers. Een deel van de Nederlandse natuurgebieden bevindt zich in categorie 1 van de verdringingsreeks: natuur gebonden aan bodemgesteldheid) omdat watertekort tot onomkeerbare schade kan leiden. Overige natte natuur valt in categorie 4. Voorwaarde is uiteraard dat het aangevoerde oppervlaktewater de gebieden daadwerkelijk kan bereiken. Voor verdeling van het grondwater ontwikkelen waterschappen beleid. De natuurgebieden leveren vervolgens zelf ook weer belangrijke ecosysteemdiensten. Goed functionerende terrestrische natuur-gebieden zoals categorie 1 en 3 hebben over het algemeen een hoge biodiversiteit aan bacteriën en schimmels. Deze variatie in bodemleven is in sterke mate bepalend voor het optimaal functioneren van de biochemische cycli en het reinigend vermogen van de bodem (o.a. Rutgers e.a. 2007). Bossen op de hogere zandgronden (categorie 1) dragen door hun verdamping bij aan een goede temperatuurregulatie. Niet ontwaterde natuurgebieden op de hogere zandgronden (categorie 1) vormen belangrijke aanvullingsgebieden voor het diepere grondwater.

  • Gemiddeld komt er over de Maas 230 m3/s water binnen. Minimaal komt er 0 m3/s het land binnen over de Maas.

  • Draagkracht wordt gedefinieerd als de mate waarin een bodem ongevoelig is voor zetting (zakken van het maaiveldniveau) als gevolg van bovenbelasting door bijvoorbeeld ophoging bij bouwrijp maken, ondiep gefundeerde gebouwen, zandbanen voor wegen en dijklichamen. Bovenbelasting leidt tot compactie van het klei/veenpakket, waardoor de grond wordt samengedrukt en de maaiveldhoogte daalt. Zetting is feitelijk een factor in bodemdaling. De term zetting wordt in dit factsheet in relatie tot draagkracht gebruikt. Dus, des te minder gevoelig een gebied voor zetting is als gevolg van bovenbelasting, des te draagkrachtiger de ondergrond daar is, en daarmee relatief geschikter voor de aanleg van bebouwing en constructies. De goede bouwgronden zijn stabiele zandgronden met veel draagkracht voor constructies. Slappe gronden met een geringe draagkracht, die gevoelig zijn voor zetting en waarin (niet goed gefundeerde) constructies kunnen wegzakken, bevatten veel klei en veen. Zettingsgevoelige gronden liggen vooral in het westen van Nederland, ten westen van de hogere zandgronden, in Friesland en delen van Overijssel en de Zuiderzee polders. De ondergrond is er slap. Hoe meer veen in de ondergrond zit, hoe slapper de grond. Bij de toedeling van gelden uit het Gemeentefonds wordt dit "slechte grond" genoemd. Volgens de wettelijke definitie is de ondergrond ‘slecht' als in de bovenste 8 meter een aangesloten pakket klei en/of veen voorkomt van minimaal 5 meter dik. Maar in de praktijk kunnen ook op dunnere of dieper gelegen klei- en veenlagen verzakkingen optreden. Om draagkracht te ontlenen aan dieper liggende zandlagen worden bijvoorbeeld paalfunderingen toegepast. Draagkracht wordt op verschilllende manieren in kaarten weergegeven. Voorbeelden hiervan zijn: • Zettingsgevoeligheidskaart t.g.v. bovenbelasting • Minimale funderingsdiepte paalfunderingen • Goede/Slechte grondkaart (t.b.v. Gemeentefonds) • Geschiktheid traditioneel bouwen • Geschiktheid ondergronds bouwen De laatste twee zijn kaarten samengesteld uit kaarten van verschillende eigenschappen van de ondergrond. De geschiktheid voor traditioneel bouwen (bouwwerken van steen of beton met een fundering op staal of heipalen, en infrastructuur (wegen, riolering) zonder paalfundering) is bijvoorbeeld samengesteld uit de zettingsgevoeligheidskaart en de kaart van minimale funderingsdiepten. Bij ondergronds bouwen is de grondwaterdruk een bijkomende factor.

  • Wandonderzoek onderzoekt de bodemkundige opbouw van de ondergrond door een ontgraving. Dit onderzoek wordt voornamelijk ingezet om de toepassing van de bodem te kunnen beoordelen voor landbouw of natuurbeheer.