From 1 - 10 / 47
  • Bestand met verdwenen molens en type molen. De bestaande molens zijn opgenomen in de bestanden Rijksmonumenten en Jongere Bouwkunst.

  • Bestand met voormalige tolhuizen. Voor de derving van de kosten van de aanleg, het onderhoud en garanderen van de veiligheid op (vaar-) wegen kon tol worden geheven. Wegen werden verdeeld in tracés, die werden begrensd door een tolboom of tolhek bij een tolgaarderswoning. Voor de passage van personen en goederen diende het tol (recht of cijns) te worden afgedragen aan de tolgaarder. De woningen hebben een kenmerkende T-vormige plattegrond, waarbij de uitbouw haaks op de weg door de zijramen zicht bood op het naderend verkeer.

  • Bestand met de historische droogmakerijen. Een droogmakerij is een polder die is ontstaan door het droogleggen van een door de natuur of door de zelnering dan wel turfwinning gevormd meer. De fraaiste droogmakerijen vinden we ten zuiden van Leeuwarden in de vorm van de Grutte Wergeaster Mar en het Hempensermeer. De meeste voormalige plassen die als droogmakerijen worden aangeduid zijn dankzij een verbeterde bemaling in de directe omgeving of door aftapping drooggevallen.

  • Bestand met verdwenen en huidige sluizen almede het type sluis. Sluizen, of zijlen, zijn kunstmatige waterlozingspunten en punten voor watertoevoer. De bouw ervan hangt samen met het afsluiten van gebieden van het boezem- of zeewater door middel van dijken. De Friese boezem is aanvankelijk waarschijnlijk één stelsel geweest van met elkaar in verbinding staande wateren, maar vanaf de late middeleeuwen begon men scheidingen aan te brengen door middel van sluizen en werd de boezem in kleinere boezems verdeeld. Er worden verschillende typen sluizen onderscheiden: duikersluis of pomp; verlaat of schutsluit, zijl of uitwateringssluis.

  • Bestand met locaties van veenwinning en petgaten. Op de kaart zijn alle petgaten die er, voor zover ons bekend, zijn geweest aangegeven. Een groot deel ervan is later drooggemalen of gedempt en de resterende complexen (o.a. Alde Feanen, Deelen, Rottige Meenthe) hebben thans meestal een functie als natuurgebied.

  • Bestand met historische dijkdoorbraken. Dijkdoorbraken zijn in Fryslân talloze keren voorgekomen. Een dijkdoorbraak liet doorgaans diepe wiel of kolk achter, waaromheen vervolgens aan de zeezijde de dijk werd verlegd. Vele kolken zijn inmiddels verdwenen. Tamelijk abrupte bochten in (voormalige) dijken wijzen als regel op een vroegere doorbraak. De als gevolg van dijkdoorbraken ontstane kolken dienen niet te worden verward met de zogeheten dyksdelten of dijkputten, die op verschillende plaatsen binnendijks voorkomen. Laatstgenoemden zijn ontstaan door het steken van kleizoden ten behoeve van de aanleg, het herstel of de verhoging van de nabije dijk.

  • Historisch bestand met locaties waar in de geschiedenis kleiwinning heeft plaatsgevonden. De voor de kleiwinning geschikte gebieden werden perceelsgewijs afgeticheld (gemiddeld zo'n 60 centimeter) en daarmee werd hun maaiveld sterk verlaagd, waardoor ze goed herkenbaar in het landschap liggen, tussen de niet afgegraven hoger gelegen percelen. Meerdere honderden hectares kleiland moeten aldus in de loop der eeuwen zijn afgegraven. De kleiwinning langs de (voormalige) zeedijken houdt verband met uiteenlopende fasen van dijkaanleg en -verzwaring, waarvoor de benodigde klei zoveel mogelijk in de onmiddellijke omgeving werd gestoken. Een aantal van deze 'dyks-delten' of dijkputten is thans als natuurgebied in beheer.

  • Bestand met kruinige percelen. Evenals de terpen behoren de kruinige percelen tot het zogeheten 'man-made' reliëf, dat door de mens is opgeworpen. Van oorsprong zijn het akkers die vanaf de randen van de percelen bolrond rondom en naar het midden van de akker zijn geploegd. Het doel was de afwatering te verbeteren en zowel de slempgevoeligheid van de akker als de eventuele verstuiving van de bodem tegen te gaan. Kruinige percelen komen voor op lichte of zavelige kleigronden. Daarmee beperkt deze categorie zich tot de kwelderwallen langs de kust, de voormalige zeeboezems en de hogere delen van de aanwasvlakten.

  • Bestand met historische jaagpaden en trekwegen. Deze wegen zijn oorspronkelijk bedoeld om binnenschepen voort te trekken. In het begin door mankracht, later door trekdieren. Het stelsel van kanalen en gekanaliseerde waterwegen met jaagpaden op de kruin van de dijk kwam tot volle ontwikkeling in de 17de en 18de eeuw. Het verschil tussen een jaagpad en een trekweg ligt in de breedte van het dwarsprofiel van het begaanbare deel langs de waterweg. Langs de paden staan op sommige plaatsen nog rolpalen om een schip door een bocht of uit de monding van een haven te trekken (Haulerwijk, Stavoren).

  • Bestand met verlaten kerkhoven. Het kerkhof waarvan de oorspronkelijke nederzetting is verdwenen of verplaatst, wordt een 'verlaten kerkhof' genoemd. Deze categorie omvat zowel kerkhoven die nog zichtbaar zijn, als kerkhoven die verdwenen zijn of waarvan de ondergrond nog restanten van begravingen en eventueel kerken bevat. Oude kerkhoven zijn thans vooral van belang voor het reconstrueren van de bewoningsgeschiedenis van Fryslân, omdat zij ons iets meedelen over vroegere vestigingsplaatsen van nederzettingen. De meeste verlaten kerkhoven bevinden zich in (voormalige) veengebieden.